Tegendraads en avontuurlijk

Afgelopen zaterdag stierf in Londen de Oostenrijkse schrijver Jakov Lind. In het nazitijdperk oefende hij ‘gemeenheid’ voor de spiegel.

Na jaren van negeren begon de belangstelling voor het oeuvre van de juist tachtig geworden auteur Jakov Lind juist weer toe te nemen. Zijn tegendraadse beschrijvingen van de holocaust leverden hem zelfs literaire prijzen op. Bron van zijn aanstootgevende boeken was zijn eigen, avontuurlijke biografie.

In 1938 hadden Linds joodse ouders hem met een kindertransport naar het toen nog veilig geachte Amsterdam gestuurd. Daar leefde Jakov met vervalste papieren onder de naam Jan Gerrit Overbeek. Toen hij zestien was besloot Jakov zijn lot in eigen hand te nemen. In zijn memoires beschreef hij hoe hij zich destijds wapende: „De wereld waarin ik leefde, de naziwereld, was een gemene. En net zo gemeen als die wereld moest ik kunnen overkomen om te kunnen overleven. Dat heb ik geoefend voor de spiegel. Urenlang. Ik oefende het gezicht van ‘de anderen’. Ik leerde om de mensen met een koele blik aan te zien. Nazi’s keek ik zo hard aan dat ze bang voor me werden.”

Begin 1943 monsterde Jakov aan op een Rijnaak. Hij schopte het uiteindelijk tot medewerker op het ministerie voor luchtvaart in Berlijn. Na de oorlog kwam hij onder meer als privédetective, vertaler, visser en filmagent aan de kost. Eerst probeerde hij een bestaan op te bouwen in Israël, maar daar voelde hij zich een “buitenstaander tussen het eigen volk”. Na tussenstops in Amsterdam en zijn vaderstad Wenen verhuisde hij in 1954 definitief naar Londen. In Duitsland en Oostenrijk vertoonde hij zich alleen nog als typische Engelse gentleman, wars van „Germaans gedoe”. Hij legde zich toe op schrijven in het Engels.

Zijn debuut, de verhalenbundel Seele aus Holz (Ziel van hout, 1962), verscheen nog wel eerst in het Duits . Het boek werd zijn toegangskaartje tot de bijeenkomsten van de Gruppe 47, waar men zijn tegendraadse proza aanvankelijk wel kon waarderen. Typerend aan het kwaad is volgens Lind dat het er altijd is en dus actief moet worden bestreden. Niemand mag een slachtofferhouding aannemen. Dat had hij zelf ook niet gedaan. „Het nazisme, dat zijn wij”, schreef Lind. En: „Als ze niet toevallig in de gevangenis zitten, in het ziekenhuis of op vakantie zijn, zijn de moordenaars natuurlijk onder ons. Waar zouden ze anders moeten zijn?”