Strip helpt kind met lui oog volhouden

Kinderen van vier met een lui oog die hun goede oog met een pleister moeten afplakken, doen dat beter als ze alles eerst uitgelegd krijgen in de vorm van een stripverhaal, waar geen tekst in staat.

Dat blijkt uit een onderzoek waarop oogarts-in-opleiding Sjoukje Loudon morgen aan het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam promoveert. Zij ontdekte ook dat kinderen die hun oog slecht afplakken vaker allochtone ouders hebben die slecht Nederlands spreken.

Een kind met een lui oog ziet met dat oog niet goed. Het goede oog moet dan worden dichtgeplakt, zodat het luie oog wordt gestimuleerd. Bij gemiddeld eenderde van de kinderen mislukt de afplakbehandeling, zodat het luie oog niet herstelt.

Loudon: „Dat komt vooral doordat het kind en de ouders het plakken niet volhouden. Die therapietrouw is zo laag omdat de kinderen op een moeilijke leeftijd – ze gaan vaak net naar de kleuterschool – iedere dag een paar uur een pleister op moeten. Die kinderen worden nogal eens gepest.”

Om te kijken of de therapietrouw vooruitgaat door betere voorlichting, heeft Loudon drie jaar lang alle kinderen thuis opgezocht die in de regio Den Haag onder behandeling kwamen van een orthoptist. Een orthoptist is een in luie ogen gespecialiseerde paramedicus, naar wie de oogarts deze kinderen verwijst.

Bij het onderzoek ging het om 310 kinderen. De helft kreeg een stripverhaal waarin ze konden zien wat er met hen gebeurd was en ging gebeuren: een kind ziet met één oog minder, ondergaat een test op gezichtsvermogen en moet dan het goede oog afplakken. Naast de strip kregen de kinderen een kalender met stickers om de ‘plakdagen’ aan te geven. De ouders kregen een informatiefolder. De andere helft van de kinderen, de controlegroep, kreeg een kleurplaat die verder niets met de behandeling te maken had.

Gemiddeld moest de pleister twee uur per dag ‘op’, gedurende een half jaar tot drie jaar. Bij de kinderen in de stripgroep lukte het 1¾ uur per dag tegen 1 uur en 10 minuten in de controlegroep. Dat is precies gemeten met een in de pleister aangebracht speciaal elektronisch meetapparaatje, gemaakt door medisch technologen van het AMC in Amsterdam. De meetchip werd één week per drie maanden in de pleister gezet. Hij meet het temperatuurverschil tussen voor- en achterzijde.

Zo’n 15 procent van de kinderen bleek de pleister helemaal niet te gebruiken, maar dat percentage was 23 in de controlegroep en 3 in de stripgroep. „Zo bezien werkt de voorlichting met een stripverhaal goed”, aldus Loudon.

Bij Marokkaanse kinderen zorgde de strip er zelfs voor dat de therapietrouw van 48 naar 83 procent steeg. Loudon: „Het stripverhaal zorgt ervoor dat kind én ouders begrijpen waarom het oog moet worden afgeplakt.” Dankzij de strip viel op dat kinderen van Surinaamse moeders die de Nederlandse taal goed machtig zijn, net zo goed plakken als autochtone Nederlandse moeders. Het lijkt er dus op dat taalvaardigheid meer telt dan allochtone herkomst.