Restitutie van roofkunst is honorabel

De Nederlandse regering heeft in 2006 besloten een collectie schilderijen die door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog aan Jacques Goudstikker waren ontvreemd, aan de enige levende erfgenaam terug te geven. Die erfgenaam ben ik. Het was een moedig en waarlijk historisch besluit, ingegeven door het advies van de Restitutiecommissie.

Zoals in de media is gerapporteerd, bestaat tussen een van mijn voormalige advocaten, Roelof van Holthe, en mij een geschil over zijn honorarium. Veel aandacht wordt besteed aan het feit dat mijn adviseurs – Van Holthe, maar ook anderen – goed worden gehonoreerd voor wat zij doen. Sommige media zijn daarover verontwaardigd.

Die verontwaardiging deel ik niet. Deze restitutie kon alleen plaatsvinden na een enorme inspanning van historici, advocaten en andere adviseurs. Die inspanning was nodig, omdat mijn aanvankelijke pogingen ons familiebezit terug te krijgen, waren afgewezen door de Nederlandse regering. Als de Nederlandse regering na mijn allereerste verzoek in 1997, of beter nog: in 1950, had gedaan wat zij uiteindelijk in 2006 deed, dan had ik al die adviseurs niet nodig gehad.

Roelof van Holthe heeft recht op een behoorlijke beloning. Wij zijn het alleen niet eens over wat een behoorlijke beloning in zijn geval moet zijn. In een beschaafd land als Nederland moet dan een rechterlijke instantie oordelen, al zou ik het liever rechtstreeks met hem oplossen. Nu hij de weg van de rechter heeft gekozen, zal ik mijzelf verdedigen, mede om te voorkomen dat Roelof van Holthe de nalatenschap van Jacques Goudstikker als verhaalsobject gebruikt. Ik ben buitengewoon opgelucht dat de Haagse rechter daar vorige week een stokje voor heeft gestoken.

Ik ben de weduwe van Eduard von Saher, de zoon van Jacques Goudstikker. Onze kinderen zijn de kleinkinderen van Jacques Goudstikker. Ik ben inderdaad niet joods, zoals Maarten Huygen in NRC Handelsblad, in de bijlage Opinie & Debat, van 10 februari heeft opgemerkt.

Merkwaardigerwijs trekt hij daar de conclusie uit dat ik geen moreel recht heb op teruggave. Waarom niet? Kent het Nederlandse restitutiebeleid dan alleen aanspraken toe aan joodse nabestaanden van joden? Mogen onze kinderen, rechtstreekse afstammelingen van Jacques Goudstikker, geen beroep doen op het restitutiebeleid, omdat ze geen joodse moeder hebben?

Wie hier even over nadenkt, ziet de absurditeit van dat standpunt in.

Het stuk van Maarten Huygen is merkwaardig inconsistent. Hij stelt dat de collectie „in naam” aan mij wordt teruggegeven, maar in werkelijkheid aan „een industrie van advocaten, adviseurs en kunsthandelaren”.

Het kort geding dat Huygen heeft bijgewoond, had juist tot doel een wurggreep van een van die adviseurs te voorkomen. Dat doel is ook bereikt. Maar aan dat kort geding verbindt Huygen nu net de conclusie dat de collectie niet aan mij had moeten worden teruggegeven. Dat is een perverse logica.

Ik kan Maarten Huygen overigens verzekeren dat de collectie echt aan mij is teruggegeven en dat – behalve de werken die ik zal moeten verkopen om de substantiële schulden te betalen die ik de afgelopen tien jaar heb gemaakt – een verzameling belangrijke werken in mijn familie zal blijven.

Ik bereid een rondreizende tentoonstelling voor om deze werken te delen met het internationale publiek en bovendien als hommage aan mijn schoonvader, Jacques Goudstikker, een groot kunstkenner en kunsthandelaar, en één van de vele slachtoffers van de nazi’s.

Huygen overschrijdt de grenzen van het fatsoen in de laatste alinea van zijn stuk. Hij suggereert daar dat alleen joden proberen geroofd bezit terug te krijgen. Hij doet alsof hij niet weet dat Grieken, Cyprioten, Russen, IJslanders, en vele andere volkeren, dezelfde continue strijd voeren. Maar inderdaad: het waren de joodse families in Europa die door Hitler meer dan enige andere groep waren bestemd te verdwijnen in zijn ongeëvenaarde moordmachine.

Het aantal door Hitler gepleegde berovingen en systematische moorden heeft de joden meer getroffen dan enig ander volk. Om dan te suggereren dat het merkwaardig en ongepast is dat nazaten van joden zo vaak hun bezittingen proberen terug te krijgen, geeft blijk van het soort vooroordelen waarvoor deze krant geen platform zou moeten zijn.

„Vrede ontstaat als mensen het verleden laten rusten”, schrijft Huygen vroom. Dat is de taal van de Nederlandse ambtenaren uit de jaren vijftig met wie mijn schoonmoeder heeft moeten onderhandelen. Quasiwijs, maar in feite kil en ongevoelig. De Nederlandse regering in 2006 wist gelukkig beter.

Het zou verdrietig en onrechtvaardig zijn als mijn geschil met Van Holthe het restitutiebeleid blijvend in een kwaad daglicht zou stellen. De pogingen om groot onrecht uit het verleden te herstellen, zijn honorabel en behoren te worden voortgezet. Niet alleen als het om joden gaat, maar altijd.

Nu de restitutie een feit is, wil ik publiekelijk mijn dank uitspreken, niet alleen aan al diegenen die mij de afgelopen jaren met het bereiken van de restitutie hebben geholpen, maar bepaald ook aan de Nederlandse regering, de Restitutiecommissie, de grondlegger van het restitutiebeleid Rudi Ekkart, Pieter den Hollander, Isaac Lipschits en Ronnie Naftaniël. Mijn kinderen en ik zijn de Nederlandse regering en al deze personen grote dank verschuldigd omdat zij door hun steun en moeite deze restitutie mogelijk hebben gemaakt.

Marei von Saher is de enige levende erfgenaam van Jacques Goudstikker.

Het artikel van Maarten Huygen is na te lezen op www.nrc.nl/opinie.