Psychologie in het wild

Dr. Gerrit Breeuwsma

Psychologen zitten het liefst in het laboratorium. Zo niet Gerrit Breeuwsma uit Groningen. „Het gangbare idee is dat je menselijk gedrag kunt demonteren in kleine stukjes die je in het laboratorium gedetailleerd onderzoekt en dan weer monteert tot een beeld van de ‘hele mens’. Vanaf dag één horen onze studenten dat alleen experimentele psychologie de moeite waard is. Maar met al die manipulaties valt menselijk gedrag nooit echt te begrijpen. Vooral kinderen kun je beter simpelweg observeren ‘in het wild’, bij gewone gezinnen thuis.”

In het lab is alles toch mooi onder controle?

„Ik bekijk het graag in een historische context. Oorspronkelijk was de psychologie een soort zijtak van de filosofie, met bespiegelingen over de menselijke geest. Daarna zocht men meer aansluiting bij de natuurwetenschappen en hun empirische methoden. Zo richtte de Groningse hoogleraar Gerard Heymans in 1892 met een bedrag van 500 gulden thuis een laboratorium in. Voornaamste proefpersoon was zijn eigen vrouw, die aan zo’n 11.000 gedragsexperimentjes van haar echtgenoot heeft blootgestaan.”

Doet u dat thuis ook?

„Nee, nee, dan hoefde ik al gauw niet meer thuis te komen. Ik doe mijn observaties liever in het wild. Dat is altijd een onderstroom in ons vak gebleven. Darwin hield al een dagboek bij van de eerste twee levensjaren van zijn zoontje. Rond 1900 kwam er steeds meer aandacht voor de vroege kindertijd en voor het individu. Moeders werden aangemoedigd om een logboekje van hun kinderen bij te houden. Later raakte het belang van zulke observaties op de achtergrond. Psychologen gingen kinderen op populatieniveau bestuderen. Maar juist dat gedrag in de vroegste ontwikkeling vertoont een enorme spreiding. Veel ouders herkennen wat de vader van Dik Trom te pas en te onpas roept: ‘Het is een bijzonder kind en dat is-ie’.”

Je eigen kind gedraagt zich altijd nét even anders.

„Precies, de handboeken kloppen nét niet. Gemiddeld leren kinderen met elf maanden het eerste woordje spreken, maar negen maanden of anderhalf jaar is óók normaal. En als het kind in het laboratorium een kunstje moet vertonen, doet hij het niet, maar thuis kan hij het wél. De beroemde psycholoog Tom Bower had in het laboratorium aangetoond dat baby’s pas bij vijf maanden doelbewust naar een speeltje kunnen reiken. Als moeders hem tegenspraken, lachte hij meewarig. Totdat hij op kraambezoek zijn eigen zeven dagen oude neefje naar een speeltje zag grijpen.”

Wat ontdekt u zoal in het veld?

„Verrassend is bijvoorbeeld dat jonge kinderen geen rechtlijnige ontwikkeling doormaken. Ze staan soms even stil of doen zelfs een paar stappen terug om daarna een enorme ontwikkelingssprong te maken, alsof ze een aanloop nemen om over een brede sloot te springen. En volgens de handboeken hebben jonge kinderen een slecht geheugen, maar met een spelletje Memory word je voortdurend verslagen. Als ik thuis bij het voorlezen wel eens stiekem een alinea oversla, word ik prompt gecorrigeerd, ook als dat boek een jaar in de kast heeft gestaan. Jonge kinderen hebben een feilloos geheugen, misschien wel groter dan dat van volwassenen. Alleen kunnen ze hun herinneringen nog niet goed ophalen. Dus op zeer gerichte vragen komt er soms niks uit.”