Personeel tekort, 1,3 miljoen uitkeringen

Werkgevers klagen dat ze geen personeel kunnen vinden. Terwijl 1,3 miljoen mensen leven van een uitkering. Gaan zij allemaal aan het werk, als het tekort aan personeel groeit?

Twee deelnemers van een work first -project in Dordrecht teren een container. „Werkgevers zijn best bereid om mensen een kans te geven.” Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold sociale werkplaats dordrecht containers teren foto rien zilvold Zilvold, Rien

Wie in Dordrecht naar de sociale dienst gaat om een uitkering aan te vragen, komt onderweg langs een batterij uitzendbureaus. Ze liggen vlak naast het gemeentegebouw aan de werkboulevard. Bij alle uitzendbureaus – die hebben altijd grote ramen – zitten intercedentes klaar om mensen in te schrijven voor banen, en een paar klanten. Maar bij de sociale dienst, een paar deuren verderop, is het aanmerkelijk drukker. Op woensdagochtend negen uur zitten er ten minste 15 mensen om een uitkering aan te vragen, iets te vragen, of wijzigingen door te geven.

„Ik vind het fijn dat het de sfeer van werk uitademt”, zegt José Manshanden over het adres ‘werkboulevard’. Daarmee vat de directeur van de sociale dienst van Dordrecht en omgeving eigenlijk samen hoe de gemeente aankijkt tegen mensen die leven van een bijstandsuitkering: het is de bedoeling dat iedereen gaat werken, niemand wordt opgegeven. „Maar met respect. We vragen geen dingen die mensen niet kunnen.”

Het is de paradox van de huidige krapte op de arbeidsmarkt. De tekorten zijn bijna even groot als in 1970, uitgedrukt in het aantal vacatures. Maar indertijd was er geen reserve: de werkloosheid was bijna verdwenen, en er waren niet veel mensen met een uitkering. Nu zeggen 400.000 mensen naar werk te zoeken, en leven er ruim 1,3 miljoen van een uitkering voor arbeidsongeschiktheid (800.000), of werkloosheid (220.000), of zitten in de bijstand (311.000).

Een deel van hen heeft maar kort een uitkering. Dat geldt vooral voor de WW, smeermiddel voor een flexibele arbeidsmarkt. Van anderen wordt niet verwacht dat ze werken: de ‘echte’ arbeidsgehandicapten. Maar in deze cijfers zitten ook de grote groepen die in beginsel kunnen werken, maar moeilijker aan de slag komen: de buitenstaanders. Krijgen zij een kans naarmate de arbeidsmarkt krapper wordt, of is er een groep die nu eenmaal nooit aan de slag komt? En hoe groot is die dan?

De cijfers zijn gunstig. Het CBS maakte vorige maand bekend dat de relatief hoge werkloosheid onder allochtonen daalt – zij zijn drieënhalf keer zo vaak werkloos als autochtonen. Vooral onder jongeren. „Zij bewegen mee met de conjunctuur, maar met een vertraging van een jaar, en op een hoger niveau”, zegt econoom Michiel Vergeer van het CBS.

Vorige week maakte het ministerie van Sociale Zaken bekend dat ook arbeidsongeschikten iets makkelijker werk vinden. Eén op de drie herbeoordeelde WAO’ers die niet werkten, heeft binnen anderhalf jaar werk gevonden. Als ook de herkeurde arbeidsongeschikten worden meegerekend die wel werk hadden, is dat ruim de helft. Dit is meer dan uit een eerdere meting bleek; vier maanden na de herbeoordeling was maar 11 procent weer aan het werk.

In termen van uitkeringen zijn de echte ‘buitenstaanders’ de mensen met een bijstandsuitkering: zij kunnen in beginsel werken. Ook die aantallen dalen, sneller dan op enig moment sinds 1999. Kregen in 1996 nog bijna 500.000 mensen bijstand, eind 2006 hadden ruim 300.000 mensen een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. De wijziging van de naam – voor 2004 was het de Algemene bijstandswet – vertegenwoordigt een verandering in de manier van denken. Het is niet langer acceptabel te kiezen voor een leven in de bijstand. Ook is de gedachte in zwang geraakt dat iedereen die een uitkering krijgt moet werken; indien niet bij een werkgever, dan in projecten bij de gemeente, al dan niet uitgevoerd door reïntegratiebedrijven. Dit work first-concept, dat is overgenomen uit de Amerikaanse staat Wisconsin, moet mensen weer in het werkritme brengen en hun vaardigheden leren die hen aan het werk moeten helpen. Dus zijn binnenkort al deze mensen aan het werk?

„Dat is niet waarschijnlijk”, zegt Erik de Gier, hoogleraar arbeidsmarktbeleid in Nijmegen. „Al was het maar omdat het beleid van de gemeenten te zeer gericht is op kansrijken. Om de minder makkelijk bemiddelbare te helpen is geld nodig, en de vraag is of we bereid zijn dat te betalen.”

Hij vindt wel dat het zou moeten. De redenering dat groepen mensen met rust moeten worden gelaten, waarbij het meer kost om hen aan het werk te houden dan dat het oplevert, wijst hij af. „Dat leidt ertoe dat er steeds meer mensen zullen afvallen. Je verplaatst het probleem naar de groep die er net boven zit.”

Ook directeur sociale dienst Manshanden geeft niemand op. Wat haar moed gaf is iets wat ze ontdekte toen ze dit werk net ging doen: de doorstroom in de bijstand is veel groter dan ze had verwacht. „Ik dacht dat er een grote groep was die heel lang in de bijstand zat. Maar in Dordrecht, met nu in totaal bijna 4.000 uitkeringen, heeft de helft minder dan vier jaar een uitkering.”

Werden mensen vroeger verdeeld in vier categorieën, al naar gelang de kans dat ze werk vonden, nu zijn er nog maar twee. Zij die direct aan het werk kunnen (A) en zij die extra begeleiding nodig hebben (B). Soms betekent dat terug naar school, of naar een specifieke training. Sinds 2004 heeft Dordrecht ook een work first-project voor mensen die moeten leren werken. Eerst drie maanden elementair werk in de werkplaats, dan als het lukt stage bij een ‘gewoon’ bedrijf. „Het gaat redelijk om werkgevers te vinden. Ze zijn best bereid om mensen een kans te geven.”

Voor mensen die ook daarna niet direct betaald werk kunnen krijgen, kwam het vorige kabinet met zogenoemde participatiebanen. Bedoeld voor mensen die zichzelf (nu nog) niet kunnen terugverdienen. Reïntegratiebedrijven ‘verlonen’ deze mensen, aan woningbouwcorporaties bijvoorbeeld. Portieken schoonmaken, tuintjes wieden, dat soort werk.

Er zijn in het verleden meer varianten geweest van gesubsidieerde arbeid, zoals de Melkertbanen. In de praktijk leidde dat altijd maar beperkt tot een doorstroom naar betaald werk. Maar in sommige gevallen wel, en het actief houden van mensen dient ook een sociaal doel. „Het is bijvoorbeeld ook goed voor de kinderen van deze mensen, als hun ouders betrokken zijn.” De gemeente is bovendien financieel niet slechter af. „Participatiebanen zijn net zo duur als een uitkering.”

Manshanden wil niet weten van een ‘granieten bestand’ van mensen in de bijstand die nooit zullen werken. Een deel, ongeveer 1.500, is vrijgesteld van werk en hoeft niet mee te doen aan projecten. „Maar we stellen hen niet voor de eeuwigheid vrij. Ze komen om de zoveel tijd langs. En telkens zijn er toch mensen die weer actief worden”, zegt Manshanden.

Maar toch niet allemaal? „Nee. Eenderde van de bijstandspopulatie is toch wel een heel moeilijke groep. Maar de omslag is gemaakt: niemand kan er meer voor kiezen om van de bijstand te leven.”