...maar neem de bevolking wel serieus

In hun stuk over de Europese ‘grondwet’ richten E.P. Wellenstein en P.J.G. Kapteyn zich primair tot de burgers, met de sussende woorden dat het constitutionele verdrag slechts beperkte aanpassingen meebrengt. Deskundigen als zij (en ik) moeten zich voortaan misschien eerst tot het kabinet richten in plaats van tot de bevolking. En als ze zich tot het kabinet richten, dan niet met het oog op zijn onderhandelingen met de andere Europese landen, zoals zij beiden doen.

Alsof de wereld zit te wachten op de wensen van een land dat juist zijn ene troef, die van spelbreker met referendum achter de hand, heeft weggegeven. Het kabinet moet zich eerst op de eigen kiezers richten en tegenover hen zijn verantwoordelijkheid nemen.

De terughoudendheid jegens een nieuw referendum over het volgende Europese verdrag is daarin een eerste stap. Het is realistisch. Het is een bekentenis van onmacht bij onze leiders om hun land te overtuigen van de werkelijkheid in Europa. Het is ook ontluisterend. Het kabinet diskwalificeert eigenlijk in één adem zowel zichzelf als de kiezers.

Dit vraagt dus om een radicale wending. Wat te doen met het verdrag? Moeten we dit blijven beschouwen als koude drukte? Of toch erkennen als een moment in de veranderende werkelijkheid? Dat is de grote vraag.

Wellenstein en Kapteyn hebben gelijk dat het constitutionele verdrag op zichzelf geen revolutionaire veranderingen brengt. Dit verdrag volgt de traditie van stapsgewijze ontwikkeling. Maar dat is helemaal niet geruststellend. Het probleem is dat deze stapsgewijze ontwikkeling steeds de deskundigen en betrokkenen in de kaart blijft spelen, ten koste van het publiek. Continuïteit is mooi, maar voor politieke en democratische verhoudingen is ze op den duur de dood in de pot.

Er zijn wel degelijk grote veranderingen aan de gang – dat weet en voelt iedereen. Alleen worden ze in Europa zo goed opgevangen, dat ze zonder schokken lijken te verlopen. Niet ten onrechte grepen daarom politieke buitenstaanders links en rechts in het politieke spectrum het woord ‘grondwet’ aan om die gesloten continuïteit nu eens te breken. Een grondwet symboliseert immers iets nieuws, een stichtingshandeling.

De verdediging van het kabinet twee jaar geleden was dat er niets aan de hand was en dat er eigenlijk niets zou veranderen. Maar dat was een krasse miskenning van die belangstelling. Die werd logisch afgestraft. Het is dan ook niet gelukkig van Balkenende om diezelfde verdediging opnieuw te gaan voeren.

Het komende akkoord moet geen grondwet heten, zegt Balkenende nu, het is maar een verdrag. De woorden zelf zeggen weinig. Nederland stond twee eeuwen lang onder bewind van een verdrag, de Unie van Utrecht. Omdat dit land toen een mogendheid was, gold het verdrag eenvoudig als onze grondwet. Andersom heeft de internationale arbeidsorganisatie haar geschreven grondwet, maar zonder enige aanspraak op politieke status.

Balkenende bedoelt te zeggen: de Europese Unie moet zich geen politieke status aanmatigen. Het is immers eigenlijk gewoon een samenwerkingsverband van landen, geregeerd dus door een verdrag en beheerd door diplomaten en ambtelijke diensten. Niets aan de hand.

Dit is misschien niet helemaal onjuist, maar het mist de hoofdzaak, de ontwikkeling van de Unie. Al heel lang heeft de Unie een indringende rechterlijke macht. Inmiddels is er ook een herkenbare politieke leiding die cruciale besluiten neemt, zoals die over uitbreiding, over financiële middelen, over de macro-economische koers (de zogeheten doelstellingen van Lissabon) en over nieuwe verdragen. Er is ook een herkenbare vertegenwoordigende instantie, er is het begin van partijvorming en er is een eigen publiek, de Europese burgers.

Alles is pril. Maar er is politiek leven in aanleg. Dit politieke leven zal ooit onmisbaar zijn als draagvlak voor toekomstige grote Europese besluiten, over onze verhouding tot de Verenigde Staten en Rusland bijvoorbeeld. Politiek leven brengt drama en veranderingsmomenten. Het doorbreekt de ambtelijke beslotenheid en de continuïteit van de internationale organisatie en de diplomatie. Het wekt belangstelling bij de mensen.

Verdragen van de Europese Unie die aan dit prille politieke leven vorm geven, kun je best in pregnante zin grondwettelijk of constitutioneel noemen. Nu de EU ambtelijk en diplomatiek bestuur blijvend combineert met een mate van open en publiek politiek leven, is de ambivalente term ‘constitutioneel verdrag’ niet eens zo gek.

Ons referendum heeft aangetoond dat de mensen bij Europa betrokken willen zijn. Die openheid begint in eigen huis. Niet met ontkenning van de werkelijkheid, maar met een kabinet dat zijn verantwoordelijkheid neemt. En niet voor een ‘geleidelijk proces’, maar voor een moment in de geschiedenis van Europa.

W.T. Eijsbouts is hoogleraar Europees constitutioneel recht aan de Universiteit van Amsterdam.