Maak Europese ‘grondwet’ eenvoudiger...

Het verdrag voor een Europese ‘grondwet’ is veel te complex. Nederland zou een overzichtelijk en leesbaar basisverdrag

moeten voorstellen, bepleiten

E.P. Wellenstein en

P.J.G. Kapteyn.

Het nieuwe kabinet blijft voorzichtig opereren met de ‘grondwet’ voor de Europese Unie. Een eventuele nieuwe tekst zal opnieuw aan de Raad van State worden voorgelegd voor advies. Of er weer een referendum wordt gehouden is onzeker. De schrik voor een nieuwe afwijzing zit Den Haag nog flink in de benen.

Mede door de ongelukkige term ‘grondwet’ zijn in Nederland bijna mythische ambities en potenties toegeschreven aan het afgewezen constitutionele EU-verdrag. Deze constitutie is gewoon een nieuw verdrag, dat meer transparantie, meer democratische controle en meer effectiviteit wil brengen in de reeks Europese afspraken die sinds 1957 in verdragen zijn neergelegd. De EU wordt echter daardoor nog geen staat.

Van een ‘superstaat’ is al helemaal geen sprake. Ook niet van een dominant overwicht van ‘grote’ lidstaten. Die hebben zelfs in de ‘grondwet’ méér steun nodig van ‘kleine’ lidstaten om meerderheidsbesluiten te nemen dan in het nu geldende Verdrag van Nice.

Als dat dus allemaal loze schrikbeelden zijn, wat staat er dan wél in die ‘grondwet’, waarbij ons land op aanpassingen zou moeten aandringen?

Het opmerkelijke is dat niet minder dan vier ideeën uit de ‘dode’ constitutie doodgewoon al in de praktijk zijn overgenomen. Bijvoorbeeld de belangrijke ‘subsidiariteitstoets’ door de nationale parlementen, vóórdat de beraadslaging in Brussel over wetgevingsvoorstellen van de Europese Commissie begint. Onze Eerste en Tweede Kamer doen dat nu al meer dan een jaar, in samenwerking met andere nationale parlementen. Het is een democratische rem op onnodige EU-bemoeienis.

Het voor pers – en dus publiek – toegankelijk maken van wetgevende arbeid in de raden van ministers is intussen ook geregeld. Het idee van ‘burgerinitiatieven’ uit de ‘grondwet’ is overgenomen door het gebruik van het recht van petitie met dat doel aan te moedigen.

En in het kader van het Europese veiligheids- en defensiebeleid is het in de grondwet voorziene Europese Bewapenings-Agentschap, dat militaire aankopen moet coördineren, volop aan de slag. Niemand heeft hier schande van gesproken, omdat het uit de dode grondwet stamt.

Dat is ook niet te verwachten, als de nieuwe weging van de stemmen van de lidstaten in de raden van ministers, waarbij het gewicht van de ‘kleine’ landen stijgt, zou worden ingevoerd. En zou de Nederlandse bevolking er echt tegen zijn, als de vele (vaak licht) uiteenlopende besluitvormingsprocedures worden vervangen door één overzichtelijke vorm van Europese wetgeving: voorstel van de Commissie, besluit van Raad van ministers en Europees Parlement?

Zou het ons electoraat schokken, als de vicevoorzitter van de Commissie die zich met buitenlandbeleid bezighoudt, samen met de staven gecombineerd wordt met wat nu de Hoge Vertegenwoordiger (van de Raad van ministers) heet? Ook hij of zij kan niet méér doen dan wat de ministers hem of haar laten doen. Is dan de titel van ‘minister van Buitenlandse Zaken van de Unie’ te pretentieus? Stel dan iets anders voor! Wél gevoeliger ligt bij ons waarschijnlijk dat een meerjarenvoorzitter voor de raad van regeringsleiders is voorgesteld, hier wel als een enge ‘Zonnekoning’ (Lodewijk XIV, het rampjaar 1672!) afgeschilderd. Het is nogal naïef te denken, dat de opvolgers van Chirac en Blair zich ooit door zo’n voorzitter de kaas van het brood zullen laten eten, en de Euro-groep (ministers van Financiën) heeft al een vaste voorzitter. Maar als Nederland hiervan een punt wil maken, dan moet dat maar. Doch van het idee dat de EU rechtspersoonlijkheid zou krijgen, zal echt niemand wakker liggen.

In de hoofdpunten van het hierboven behandelde ‘Deel I’ van de ‘grondwet’ staat dus eigenlijk weinig dat tot emotionele controverses aanleiding hoeft te geven, afgezien van de term ‘grondwet’ zelf, en de nogal bloemrijke taal van de preambule, die echter de inhoud onverlet laat.

Over ‘Deel II’ zal de discussie ontstaan: moet dat Handvest voor de Grondrechten wel in het verdrag? Van veel materiaal belang is dat niet, zeker als de EU zelf toetreedt tot het Europees verdrag van de Rechten van de Mens, zoals de ‘grondwet’ trouwens voorziet.

Maar dan ‘Deel III’, waar ten onrechte zelden aandacht aan wordt besteed. Dit meest volumineuze, voor de burger onleesbare en grotendeels overbodige onderdeel van de daardoor telefoonboekdik geworden ‘grondwet’ zou voor de Nederlandse regering het uitgangspunt voor een constructief voorstel kunnen vormen. Het is immers niet méér dan een compilatie van alle bestaande verdragen, en zou dus helemaal geen ratificatie behoeven als het niet opnieuw was geredigeerd, én doorspekt met aanpassingen aan de hervormingen die in Deel I worden ingevoerd. Die aanpassingen zijn natuurlijk belangrijk, maar kunnen ook – en veel duidelijker – in een algemene clausule in Deel I worden verwerkt. De rest van Deel III is dan overbodig, het kan echt ‘dood’ worden verklaard.

Met de hier geschetste ingreep zou het verwarrende complex ellenlange teksten, zonder verlies van substantie, worden teruggebracht tot een overzichtelijk, leesbaar basisverdrag. Met zo’n voorstel zou het nieuwe Nederlandse kabinet, zonder het verwijt te krijgen iets af te doen aan de doelstelling: een beter bestuur voor een steeds Grotere Unie, in een verwarde Europese politieke situatie een nuttig, duidelijk en constructief initiatief kunnen nemen.

E.P. Wellenstein is oud-directeur-generaal van de Europese Gemeenschappen; P.J.G. Kapteyn was lid van het Europese Hof van Justitie.