In zak en as (2)

Gisteren heb ik sterilisatie op mij laten plegen. Ik had mij mooi aangekleed, want mijn afscheid als vruchtbare man, het neerleggen van mijn natuurlijke opdracht, verdiende een waardig ritueel. Van zin kun je niet spreken in dit dramatische geval, maar laat ik zeggen dat ik er klaar voor was, zoals een ridder voor het duel. Ja, ik had mijn Elvisbril op en ik was er fucking klaar voor.

Ik was te laat. Te laat op je eigen castratie. Het klinkt als een heldendaad. Ik fietste door rood (‘De spelletjespresentator werd op weg naar z’n sterilisatie overreden’), wist even verderop mijn voorwiel ternauwernood uit een tramrail te trekken (‘Quizmaster op weg naar sterilisatie onder tram: alleen onderlichaam gered’), maar het ziekenhuis was nog later dan ik. Dat is strategie: als wij te laat zijn, komt de patiënt tenminste op tijd.

Ik meldde mij aan bij de balie Urologie en spoedde mij daarna naar de wc om de verdovende crème op mijn zaadleiders te smeren. De enige wc was bezet, maar bij het urinoir ernaast was nog voldoende ruimte om mijzelf te behandelen. De tube begon na opening meteen een witte straal crème te produceren en voordat ik mijn broek had losgeknoopt zaten mijn handen al helemaal onder. In de wc werd doorgetrokken. Het zweet brak mij uit en juist op het moment dat ik de crème van de rug van mijn linkerhand op mijn ballen probeerde te krijgen, ging de wc open en kwam er een meneer naar buiten. Hij keek alsof hij net een hele lange wandeling achter de rug had. Zijn ogen schoten wantrouwend heen en weer tussen mijn onderlichaam – een stilleven met tube, piemel en handen vol crème – naar mijn bezwete gezicht, dat wanhopig probeerde te lachen. Hoofdschuddend waste hij zijn handen en ik hoorde aan het streng rukken aan de papieren handdoekjes dat dit de zoveelste keer was, misschien wel het sluitende bewijs, dat de mensheid gek geworden is.

In de wachtruimte enkel mannen met de benen over elkaar, behalve één, die zat bij de balie met het bordje Gipskamer. Mijn mannen en ik, we zaten er verslagen bij, met onze urologische problemen. Ik wisselde zo nu en dan een blik van verstandhouding uit. Wij stakkers. Zet onze benen af, snij onze borst open, maar blijf van ons apparaat af. Wat zou hij hebben? En hij? (‘Hallo.’ ‘Hallo.’ ‘Ik heb iets aan mijn pik.’ ‘Ik heb iets aan mijn ballen.’)

Of ik mijn broek en onderbroek wilde uittrekken en op de operatietafel wilde gaan liggen. De zuster scheerde mijn ballen. Daar had ik in de folder overheen gelezen. Daarna smeerde ze ze in met jodium. Ik hoorde ze zachtjes met hun tanden klapperen. Ze vroeg of ik het wel zeker wist. En ja, er waren wel eens mannen weggerend. Ze legde mijn piemel op zijn rug en schoof een groen operatiekleedje over hem heen, zodat hij het niet hoefde te zien. Mijn handen waren inmiddels goed verdoofd.

De arts was een aardige, jonge man. We wisselden begripvolle dialogen af met grappen. Ik zei dat ik het fijn vond dat het door ‘een van ons’ werd gedaan. Dat begreep hij. Het deed uiteindelijk toch nog pijn, wat ik ook fijn vond. Zoiets verdient het om pijn te doen. Dat begreep hij niet. In de gang vroeg de zuster: „Wat gaat u nu doen?” Ik dacht even na en citeerde Elvis Presley, die na een concert dezelfde vraag kreeg: „Burning Beaver!” Ze zei niets en draaide zich om.

Buiten geen erehagen, geen juichende vrouwen, geen slipjes in mijn haar. Alleen mijn opengesneden ballen en ik, kijkend naar mijn fiets en vooral het zadel. Het zweet brak ons voor de zoveelste keer uit.