‘Ik was de markt, maar die heeft mij ingehaald’

Fortuinen worden betaald voor moderne Chinese kunst. De markt stort echter niet zomaar in. Rijke Chinezen betalen er nu zelf miljoenen voor. „Zij leggen een bodem in de markt.”

De Zwitser Uli Sigg is de grootste verzamelaar van moderne Chinese kunst ter wereld. „De prijzen gaan te hard, ik kan haast niets meer kopen.” Foto AFP (FILES) Photo taken 12 July 2005 of Uli Sigg standing by his portrait painted by Chinese artist Zhou Tiehai, part of a new exhibition of contemporary Chinese art at the Museum of Fine Art in Bern. The works on view tackle preconceptions and provide a snapshot of China's contemporary art scene over the past quarter century, its political undercurrent and its challenge to a host of taboos. The 320 works on display at the museum until October 16 are drawn from the private collection of Uli Sigg, a Swiss businessman who was also his country's ambassador in Beijing in the 1990s. AFP PHOTO JEAN-PIERRE CLATOT AFP

Op de eerste verdieping van het middeleeuwse kasteel van Uli Sigg, op een eilandje in de Mauensee vlakbij de Zwitserse stad Luzern, hangt een schilderij van Liu Xiaodong. „Ik kocht het in de jaren negentig voor een paar honderd dollar”, zegt Sigg, een gedrongen, kale Zwitser met een hooggesloten, boordloos overhemd. „Niemand kende deze schilder. Hij leidde een marginaal bestaan. Ik kocht het schilderij van hemzelf; galeries stelden toen geen moderne kunst tentoon. Nu is Xiaodong wereldberoemd. Laatst werd er een werk van hem geveild voor 2 miljoen euro.”

Wie wil begrijpen hoe het komt dat moderne Chinese kunstenaars als Xiaodong in een paar jaar tijd zo’n rage zijn geworden, bij kunstminnaars én koelbloedige beleggers over de hele wereld, kan niet om Uli Sigg heen. Sigg is de grootste verzamelaar van moderne Chinese kunst ter wereld. Híj ontdekte de Chinezen. Híj kocht als eerste hun werk, voor een habbekrats. Híj was degene die de eerste overzichtstentoonstellingen voor ze organiseerde, in het Westen en in China zelf. „Tien jaar geleden was ík de markt”, zegt Sigg. „Nu heeft de markt mij links en rechts ingehaald. In Peking zitten ineens honderden galeries. Investeerders kopen Chinees werk voor woekerprijzen via internet. Als je iets van een bepaalde kunstenaar wilt kopen, heb je dertig wachtenden voor je. In hun ateliers is niets meer te zien: alles is permanent uitverkocht. Chinese moderne kunst is een statussymbool geworden. De prijzen gaan zo hard over de kop dat ik bijna niets meer kan kopen.”

Sommigen in de kunstwereld zijn bezorgd over deze inflatie. Ook voor sléchte kunst, zeggen zij, worden in China bedragen neergeteld waar je misselijk van wordt – anything goes. De meeste werken komen niet bij kenners terecht, maar via veilingen bij de hoogste bieder. Het gaat hier niet meer om kunst, vinden zij, maar puur om beleggen. En zij houden Sigg hiervoor verantwoordelijk.

„Ik zie de risico’s”, zegt hij kalm. „Maar als ik het niet had gedaan, hadden anderen zich er wel op gestort. Vergeet niet: álles in China is booming.” Hij neemt een hapje van zijn Filippijnse vis. Vanuit het raam kijk je uit over het deels bevroren meer en mistige heuvellandschap. Je moet een smalle houten brug over om in Siggs kasteel te komen. In de eetkamer staan wat designmeubels en een antieke Chinese kast. Aan de muren hangen pop-art, landschappen en politieke satire door elkaar.

Sigg, voormalig journalist, is vicepresident van het Zwitserse mediaconcern Ringier. Hij doet zijn collectie ‘erbij’ als hij voor zijn werk (zo’n acht keer per jaar) in China moet zijn. Hij kwam er eind jaren zeventig voor het eerst. Hij werkte toen voor liftenfabrikant Schindler en sloot als eerste westerling een joint venture met een Chinees bedrijf. De nieuwe opendeurpolitiek maakte dat mogelijk.

Sigg had zich altijd voor kunst geïnteresseerd. Nu hij toch zes maanden per jaar in China ging wonen, besloot hij zich in Chinese kunst te verdiepen. Wat hij aantrof, was „oninteressant”. Alleen traditionele kunstvormen en technieken hadden status. Het enige ‘moderne’ dat mocht worden afgebeeld, was sociaal realisme: arbeiders, hamers en sikkels. Andere contemporaine kunstuitingen waren ‘westers’, ‘subversief’. Er waren weinig kunstenaars die zich daar, ondergronds, mee bezig hielden. Sigg moest ze met een lampje zoeken. Hij kon geen stap zetten zonder overheidsfunctionarissen, voorzichtigheid was geboden.

[Vervolg CHINESE KUNST: Pagina 14]

ACHTERGROND": HOE MODERNE KUNST DE MARKT OP STELTEN ZET

CHINESE KUNST

‘Technisch briljant, maar geen ideeën’

[Vervolg van pagina 13]

Pas begin jaren negentig begon hij werk te kopen. „Er kwamen invloeden van buitenaf. De Chinezen gingen experimenteren. Ze kopieerden vaak westerse dingen, maar er kwam beweging. Ik dacht: hier gebeurt iets. Iemand moet dit documenteren. Voor het eerst van mijn leven kocht ik kunstwerken niet omdat ik ze mooi vond, maar omdat ze ergens voor stonden.”

In 1995 werd hij Zwitsers ambassadeur in China. Hij kon intussen vrij reizen. In die periode kocht hij veel: „Het kopiëren was voorbij. Kunstenaars vonden hun eigen taal. Maar niemand had het in de gaten. Niemand zag dat hier iets belangrijks gebeurde. Ik moedigde deze kunstenaars aan, zocht ze op in het hele land. Zo bouwde ik vertrouwen op, kennis en een netwerk.”

Zo kwam zijn verzameling tot stand, die intussen 1.600 werken telt. In Mauensee hangen en staan ze tot op de wc: een geborduurd keizerinnengewaad van plastic, fotocollages, een beeld van kaarsvet, veel figuratieve schilderijen. Het vroege werk grijpt vaak terug op westerse klassiekers als de Mona Lisa en bevat politieke aanklachten tegen het regime – zoals de rode porseleinen boekjes in de open haard van Siggs assistente, met zwartgeblakerde randen. Het nieuwere werk is meer sociaal dan politiek getint: er worden Chinese tradities op de hak genomen, of nouveaux riches met schoothondjes (een ander recent statussymbool), of de gigantische bouwdrift die het land overspoelt.

Sigg, die vloeiend Mandarijn spreekt, zegt dat hij nog nooit een Chinees schilderij heeft verkocht. Hij is het ook niet van plan – zelfs niet om iets nieuws te bekostigen. Verzamelaars verkopen als hun smaak verandert of als ze geld nodig hebben. Maar in zijn geval, zegt hij, zijn smaak en geld de leidraad niet. Hij gebruikt zijn collectie voor tentoonstellingen, zoals die in de Kunsthalle in Hamburg onlangs (300 werken), en later dit jaar in Rio en Salzburg. Hij stelt dat allemaal zelf samen: „Bij die musea hebben ze geen enkel idee.” Zijn allereerste tentoonstelling in Europa, ‘Mahjong’ in Bern in 2005, leidde tot een fikse rel: een Zwitser eiste bij de rechter dat een pot met een embryo op sterk water zou worden verwijderd (die pot werd later teruggezet). Ook hadden sommige bezoekers bezwaar tegen een pilaar van menselijk vet. „Ze vroegen me: ‘Hoe kun je dat nou kopen?’ ” vertelt Sigg grijnzend. „Maar die pilaar maakt deel uit van een belangrijke kunststroming in China. Dus die hoort in een overzichtstentoonstelling.”

De Chinese autoriteiten hebben door Siggs verzameldrift en zijn constante pr zo langzamerhand begrepen dat ze hun eigen moderne kunst niet langer kunnen negeren. De meest prestigieuze kunstprijzen in China zijn de Chinese Contemporary Art Awards (CCAA), die Sigg in 1998 instelde. In de jury zit de crème de la crème van de internationale kunstwereld – van Harald Szeemann tot Alanna Heiss. Mede daardoor staan jonge Chinezen tegenwoordig op internationale kunstbeurzen. Ook op de laatste Documenta, in 2002, waren ze vertegenwoordigd. In 2001 sloeg Duitsland een aanbod af van de Chinese president, die op zijn staatsbezoek een tentoonstelling wilde aanbieden over Chinese relikwieën. De Duitsers wilden iets moderns. Maar er was geen Chinese overheidsfunctionaris die iets van moderne kunst afwist. „Dus”, vertelt Sigg geamuseerd, „waren ze in Peking gedwongen advies in te winnen van een gerenommeerde Chinese kunstenaar in Parijs. Een dissident! Daar hebben ze van geleerd. Nu zijn er op het Cultuurministerie twee of drie mensen met verstand van zaken.”

Sommigen zijn bang dat wat velen intussen the mad rush for Chinese art noemen op een dag met een klap ten einde komt. In 2006 verkochten Christie’s en Sotheby’s voor 190 miljoen dollar aan Aziatische moderne kunst – meest Chinese. In 2004 was dat maar 22 miljoen. Chinese kunstenaars die tien jaar geleden op een houtje beten, bezitten nu Armani-pakken, Porsches en restaurantketens. Een van hen, Zhang Xiaogang, die familieportretten tijdens de Culturele Revolutie schildert, verkocht afgelopen maart een schilderij bij Sotheby’s voor 979.000 dollar. Velen zeiden toen dat de limiet was bereikt. Dat de prijzen nu móésten zakken. Maar in oktober kocht de Brit Charles Saatchi bij Christie’s in Londen een ander schilderij van Zhang voor 1,5 miljoen dollar. En in november bracht een derde Zhang op een veiling in Hongkong 2,3 miljoen dollar op.

Sigg weet ook niet waar dit eindigt. Maar hij gelooft niet in de zeepbeltheorie. Om een aantal redenen. Ten eerste, zegt hij, komen er steeds meer Chinese kopers bij. Dat zij fortuinen neertellen, geeft aan dat dit geen ‘occidentalistische’ hype meer is. „Al zouden westerse investeerders wegvallen die de prijzen zo hebben opgejaagd, dan nog vormen deze Chinezen een solide bodem in de markt. Hun aantal groeit snel.” Daarbij, zegt Sigg: als een Gerhard Richter (de Duitse kunstschilder) 3,5 tot 4 miljoen dollar kan opbrengen, waarom zouden de Chinezen dan ‘aan hun plafond zitten’ bij 2,5 miljoen?

Ook staat er een veelbelovende nieuwe generatie kunstenaars in China in de startblokken. „Chinese kunstacademies zijn erg goed. Studenten worden er gedrild; examens zijn loodzwaar. Vroeger gingen ze lesgeven of grafiek doen. Nu moderne kunst perspectief heeft, worden ze kunstenaar. Ze zijn technisch briljant. Het enige wat ze nog nodig hebben, is een goed idee.”

Verzamelen kan Sigg hen niet meer. Te duur. Daarom sponsort hij nu kunstenaars die geld nodig hebben om installaties te maken – zoals de man die een multimediaproject wil maken rond een van de laatste rondtrekkende groepen die aan Chinees schaduwspel doen. „Hij heeft het idee, ik financier het en word eigenaar.”