Hoge Raad: Samir terug naar hof

De Hoge Raad stelt dat Samir A. ten onrechte is vrijgesproken van voorbereidingshandelingen voor het plegen van een terroristische aanslag. In de uitspraak die vanmiddag is gedaan, wordt de zaak terugverwezen naar het gerechtshof in Amsterdam.

Samir A. werd in 2004 vervolgd wegens het treffen van voorbereidingen voor het plegen van een terroristische aanslag.

Bij huiszoeking werden bij hem thuis voorwerpen aangetroffen die kennelijk bestemd waren om een aanslag mee te plegen: plattegronden van het Binnenhof, de kerncentrale in Borssele, het AIVD-gebouw en Schiphol, informatie over de beveiliging van die gebouwen en aantekeningen over de werking van wapens en explosieven. Ook vond de politie een kogelwerend vest, een nachtkijker een portofoon, wapens, kunstmest, chemicaliën en elektrische circuits. Spullen die „kennelijk bestemd” waren om een terroristische aanslag mee uit te voeren.

De rechtbank Rotterdam sprak Samir A. op 6 april 2004 vrij. Het gerechtshof in Den Haag deed dat in november 2005 ook. De rechters stelden toen dat er „geen twijfel over de volle omvang van de terroristische intenties” was. Maar volgens het hof had Samir A. met de materialen die bij hem thuis waren aangetroffen nooit een succesvol explosief kunnen maken. De materialen zelf hadden volgens het hof geen „acuut, gevaarzettend karakter”.

Het hof stelde dat A. „in feite met lege handen stond” en oordeelde: Zou men een verdachte toch veroordelen, ondanks het feit dat er geen objectief gevaar van de spullen uitgaat, dan ,,zou men hem ten gronde straffen voor zijn gedachten en intenties, hetgeen de wetgever juist uitdrukkelijk heeft willen uitsluiten”.

Maar volgens de Hoge Raad heeft het hof een te beperkte uitleg gegeven aan het begrip voorbereidingshandelingen. In de wet is het strafbaar gesteld om voorwerpen voorhanden te hebben die „kennelijk bestemd zijn” voor het plegen van een misdrijf. De Hoge Raad stelt dat de spullen die Samir A. bezat „naar hun uiterlijke verschijningsvorm” dienstig kónden zijn voor het misdadige doel dat A. ermee voor ogen had.