Het ‘oude’ Amerika

Zelfs een dosis Duitse grondigheid heeft niet kunnen helpen: autoconcern DaimlerChrysler sluit een verkoop van het Amerikaanse Chrysler-concern, dat het in 1998 inlijfde, niet langer uit. De prijs die Daimler-Benz destijds betaalde, bedroeg 36 miljard dollar (27 miljard euro). De waarde van Chrysler wordt nu, negen jaar later, geschat op tussen de 5 miljard en 14 miljard dollar.

Die prijsval tekent de structurele problemen van de Amerikaanse auto-industrie: een gebrekkig gevoel voor de markt, een verouderde structuur en hoge kosten. Het verlieslijdende Chrysler vervaardigt hoofdzakelijk zogenoemde minivans, sports utility vehicles (SUV’s) en lichte trucks. Deze autotypes waren enkele jaren populair, maar raken uit de gratie nu consumenten door de hogere brandstofprijzen op zoek gaan naar auto’s die goedkoper zijn in het gebruik. Vooral Aziatische concurrenten halen in de VS betere resultaten met kleine, energiezuinige gezinsauto’s. Veel van Chryslers fabrieken zijn verouderd, en op het concern rusten de lasten van ziektekosten en pensioenregelingen die stammen uit de tijd dat de auto-industrie nog een arbeidersparadijs was.

Chryslers problemen komen goeddeels overeen met die van de andere leden van het trio dat in Amerika ‘de Grote Drie’ wordt genoemd: Ford en General Motors. Dat laatste concern wordt genoemd als een van de mogelijke kopers van Chrysler, al was het maar om te voorkomen dat een nieuwe buitenlandse concurrent in één klap voet aan de grond krijgt in de VS. Met lokale productie omzeilen Aziatische autofabrikanten de toegangsproblemen tot de Amerikaanse markt, en via het uitgebreide netwerk van dealers zijn auto’s snel aan de man te brengen. In het circuit gonzen de namen van het Franse Renault, dat ook Nissan omvat, maar ook die van het Koreaanse Hyundai of de Chinese concerns Chery en SAIC. Ook de onvermijdelijke opkoopfondsen (private equity) kunnen zich melden. Zij zullen wel te maken krijgen met de macht van de vakbonden, die in de VS in deze sector niet te onderschatten valt.

Nu duren de problemen in de Amerikaanse auto-industrie al zeker twee decennia. Chrysler was destijds al een gevierd voorbeeld van geslaagd crisismanagement onder de legendarische Lee Iacocca. De bedrijfstak draait intussen, met veel financieel kunst- en vliegwerk, nog steeds. Maar er is een opvallend verschil met de industrie in West-Europa. Veel autofabrikanten in de EU zijn er, overigens ook niet zonder tegenslagen, beter in geslaagd zich aan te passen aan de eisen van de moderne wereldmarkt.

Dat heeft in dit geval weinig te maken met de structurele verschillen in de inrichting van het kapitalisme aan weerszijden van de oceaan. In de auto-industrie, waar tussen idee en uitvoering veel tijd en miljardeninvesteringen zitten, draait alles om ontwerp, marktgevoel en productietechniek. Simpelweg om ondernemerschap, kortom. Daimler heeft Chrysler daarmee niet kunnen helpen. Maar dat het ‘oude Europa’ zich kennelijk goed weet te handhaven in deze zeer concurrerende bedrijfstak is niet slecht voor het zelfvertrouwen.