Het is de vrouw die de Balkan redt

In de stoep voor mijn hotel in de Kosovaarse hoofdstad Priština gaapt een gat van een meter doorsnee. Ruim een jaar geleden knielde ik aan de rand neer, stak mijn hoofd in het gat en schreeuwde. Tien meter diep, schatte ik, afgaande op de echo. De stank die uit de put omhoog kwam was ondraaglijk.

Waarom gooit niemand een deksel op die put? De meisjes achter de balie in het hotel konden me niet verder helpen: „Dat krijg je met die luie kerels hier.”

Nu ben ik weer in Kosovo, en als vanouds trekken de lelieblanke jeeps van OVSE, VN en EU in file over het kapotte wegdek. Rond lunchtijd maak je zonder reservering geen kans in de Japanse en Koreaanse restaurants die zich speciaal richten op de duizenden westerse diplomaten en hulpverleners die in Kosovo zijn gestationeerd. In de talloze koffiehuizen verdrijven mannen de tijd met roken en praten over politiek. Kosovaarse politieagenten dragen op straat kogelvrije vesten en aan hun gordels bungelen traangasgranaten. In de lucht cirkelen helikopters. Want dit is Kosovo – veiligheid boven alles.

Maar als ik uit mijn taxi stap en richting mijn hotel loop zie ik weer die put. Dat gat, zonder deksel.

Tijdens mijn afwezigheid werd het volledige wagenpark van de Verenigde Naties in Kosovo vernieuwd, kregen de Kosovaarse agenten de baard in de keel en raakte één van de meisjes van het hotel zwanger. Maar niemand nam de moeite om de put af te dekken. Huppelende schoolkinderen gaan er rakelings langs. Wie is er verantwoordelijk, als er eentje een misstap maakt?

„Vraag me er niet meer naar”, zegt het zwangere meisje van het hotel met een harde, maar moedeloze blik in haar ogen. „Het is kennelijk te veel gevraagd.”

Luie kerels. En vrouwen die die kerels vervloeken. Het is overal op de Balkan hetzelfde. Naarmate je vaker naar Priština, Belgrado of Sofia reist, groeit het respect voor de Balkanvrouw die zich wankelend op naaldhakjes een weg baant over trottoirs waaraan het laatste onderhoud dateert uit de tijd van het socialisme.

Oogverblindend daalt de Balkanvrouw ’s ochtends door het trappenhuis naar beneden om het grauwe straatbeeld op te fleuren, met een gedisciplineerde elegantie die haar door moeder en grootmoeder is bijgebracht.

„Zorg tenminste dat je er goed uit ziet”, zegt vriendin Mira uit Belgrado. In de jaren negentig, toen Servië werd getroffen door internationale sancties, was Mira nog studente. „Winkeletalages waren leeg, je had amper geld om een nieuw paar schoenen te kopen. Maar voor vrouwen bleef ‘dressed to kill’ de norm. Met het weinige dat je had zorgde je er voor dat je gezien werd. Aan ons heeft het niet gelegen.”

Haar zoontje van twee zit thuis bij zijn vader. Mira verdient het geld. Het is een beetje hopeloos met die kerels hier, zegt ze. „Hij deed ’t goed in oorlogstijd, maar nu staat de Balkanmacho er wat verloren bij. Wij vrouwen redden ons tegenwoordig veel beter. We hebben geen last van gekrenkte trots. De meeste van mijn vriendinnen zijn zakelijk, hard en succesvol.”

Vloekend, met een sigaret tussen haar rood gestifte lippen, stort Mira zich in de verkeerschaos, in een auto waarvan de rechterkant bijna is weggeroest. Met een vileine blik voorwaarts negeert ze ‘de vinger’ van de vent die ze een kruispunt eerder behendig afsneed.

„Je moet in deze stad het spelletje van de mannen meespelen, maar de regie zijn ze kwijt.”

Een paar agenten hielden haar onlangs aan omdat ze door rood reed. „Ik had mijn papieren niet bij me, dus moest ik achter ze aan naar het bureau.” Om te imponeren scheurden de agenten voor Mira uit met grote snelheid door Belgrado. „Ze wilden zien of ‘dat vrouwtje’ hen kon bijhouden. Maar ik arriveerde gelijktijdig met de heren bij het bureau en als beloning lieten ze me zonder bekeuring gaan. Dat vond ik groots.”

Zo zijn er wel meer positieve signalen uit de mannenwereld, zegt Mira. „Ze gaan zich steeds beter kleden en schamen zich niet langer voor een dagcrême.”

Maar het hanteren van asfalt en cement, of het afdekken van een gevaarlijk mangat met een putdeksel, dat lijkt vooralsnog te veel gevraagd.