Geheimzinnige rechtlijnigheid

Ben Akkerman. T/m 18 maart in Rijksmuseum Twenthe, Lasondersingel 129 Enschede. Di t/m zo 11-17 u.

Naast oude kunst vanaf de veertiende eeuw herbergt het Rijksmuseum Twente een mooie en heldere opstelling van twintigste-eeuwse kunst. Wie daar doorheen loopt ziet aan het eind van een reeks aaneengeschakelde zaaltjes, een wenkend wit vierkant. Het is het monochrome schilderij Zonder titel (1996-1998) van Ben Akkerman. De verf lijkt er als een regelmatig vlechtwerk op te liggen, maar de randen hebben iets rafeligs, waardoor het niet strak of rigide aandoet. Het witte doek hoort tot een tentoonstelling van Akkerman die nu in het museum is ingericht. De aanleiding was een schenking van tien tekeningen uit de periode 1979-1994 uit het bezit van de schilder. Deze nooit geëxposeerde tekeningen vormen het hart van de expositie die een overzicht geeft van het oeuvre van Akkerman vanaf de jaren vijftig.

Ben Akkerman (87) is autodidact, een academie heeft hij nooit bezocht. Vanaf 1936 werkte hij in Enschede als gemeenteambtenaar. Tekenen en schilderen deed hij ’s avonds. Pas na zijn pensionering in 1983 kon hij zich geheel wijden aan zijn kunst. Dat doet hij nog, hoewel het schilderen hem moeilijker afgaat, zoals hij in een interview vertelde: „Ik heb artrose en kan niet lang meer staan. (...) Fietsen en wandelen kan ik niet meer, dat is misschien nog wel het ergste, vind ik zelf.”

Vroeger ging hij na zijn dagelijkse fiets- of wandeltochtje aan het werk. In het landschap deed hij inspiratie op. Akkers, kanalen, wegen, huizen en afrasteringen – het was vooral de rechtlijnige structuur van het Hollandse landschap waardoor hij gebiologeerd was. In de jaren zeventig en tachtig, toen hij meer abstraheerde, verdween het landschappelijke uit zijn werk, tot hij uiteindelijk ook de horizon opgaf. De rechte lijnen en geometrische patronen bleven, ook de kleur en niet te vergeten het eigenaardige verfoppervlak dat nooit egaal is, maar eerder geplamuurd en gestuct lijkt. Akkerman werkt lang aan zijn schilderijen, hij brengt de verf met een paletmes op, gaat dan schuren, brengt een nieuwe verflaag aan en zo voort.

Zowel in zijn tekeningen als in zijn schilderijen speelt hij een spel met regelmaat en evenwicht, die worden doorbroken en vervolgens op een onverwachte manier hersteld door een kleur- of vormaccent. Hij is ook voortdurend bezig grenzen te verkennen. Hij overschrijdt die grenzen door de zijkanten van het doek mee te schilderen, of hij maakt openingen in de begrenzing van een tekening waardoor je als kijker gaat twijfelen of er eigenlijk wel een grens is. Veel van het abstracte werk van Akkerman heeft hierdoor iets mysterieus. Je ziet bijvoorbeeld, op een kleine tekening, een raster van horizontale en vertikale lijnen. Dat ruitjesraster is onregelmatig afgebroken, maar erbuiten zijn vaag nog flarden van die ruitjes zichtbaar. Zo ontstaat de suggestie van doorkijkjes in een geheimzinnig, ver universum.

„Je moet goed kijken, anders zie je het niet eens”, zei Akkerman eens over zijn werk. Dat geldt ook voor zijn recente schilderijen van een vierkant blauw vlak in een wit kader. Dat witte kader werkt als een lijst, maar doordat de overgang tussen blauw en wit niet scherp is wordt het idee van een lijst meteen weer teniet gedaan. Het blauwe vlak is een blauw vlak, jawel, maar door de dooreen krioelende blauw-tinten gaat er een grote bewogenheid van uit.

Akkerman streeft geen optische effecten na, maar toch heeft zijn werk vaak iets zinsbegoochelends, wat hij met minieme ingrepen weet te bereiken.

Het werk van Akkerman heeft raakvlakken met de schilderijen van Mondriaan en Malevitsj, het is in verband gebracht met de fundamentele schilderkunst, met de minimal art of de reliëfs van Jan Schoonhoven. Als deze expositie iets aantoont, dan is het wel hoezeer het bescheiden, fijnzinnige en soms ook geestige oeuvre van Ben Akkerman op zichzelf staat.