Fusie Chrysler en GM geen uitgemaakte zaak

Het is makkelijk je een finale in te denken van Daimlers desastreuze Amerikaanse avontuur. Waarom zou het concern zijn verlieslijdende Chrysler-divisie niet verkopen aan de grootste autoproducent ter wereld, het in Detroit gevestigde General Motors (GM)? Door fabrieken, modellen en merken af te stoten zouden grote kostenbesparingen verwezenlijkt kunnen worden. Beleggers zouden er zelfs geld aan kunnen overhouden.

Een eventuele transactie zou als volgt in elkaar kunnen steken. Daimler draagt Chrysler over aan GM. De twee concerns worden het eens over een waarde voor het bedrijf – iets van 10 miljard dollar (7,6 miljard euro), met een marge van een paar miljard, afhankelijk van de verplichtingen van Chrysler. In ruil krijgt Daimler geen contanten, maar een groot belang in de combinatie GM-Chrysler. Daimler is het gewend om belangen te hebben in beursgenoteerde bedrijven als het Europese defensieconcern EADS. Zo heeft Daimler de kans te profiteren van een eventuele ommekeer in Detroit.

Daimler smeedt ook een bondgenootschap met GM langs de lijnen van de alliantie die Carlos Ghosn tot stand heeft gebracht tussen Nissan en Renault, waarbij hij – tevergeefs – heeft getracht GM te betrekken. Omdat Daimler zo’n arrangement net zo hard nodig heeft als GM, zou het management van de autoproducent uit Detroit over een overeenkomst kunnen onderhandelen vanuit een positie van gelijkwaardigheid. Iedereen zou er baat bij hebben als de personeelswerving, de onderdeleninkoop en een paar andere functies onder één noemer werden samengebracht.

Maar nu komt het lastige deel, en de reden waarom een transactie wellicht nooit verder zal komen dan de spreadsheets van een zakenbankier. Om de fusie tot een succes te maken, zullen GM en Chrysler als gekken moeten bezuinigen. Op papier denkbaar: er zijn meer dan genoeg overlappende merken, dealernetwerken, fabrieken en personeelsbestanden.

Als de bezuinigingen 2 procent van de omzet zouden bedragen – een gebruikelijke maatstaf bij fusies en overnames – zouden ze, belast en gekapitaliseerd, zo’n 30 miljard dollar (23 miljard euro) waard zijn, ongeveer het equivalent van de waarde van de twee autoproducenten. Maar deze bezuinigingen zullen niet eenvoudig zijn. Om te beginnen heeft geen van beide firma’s veel animo getoond om merken te elimineren.

Het zal nog lastiger zijn om de vakbonden mee te krijgen. Door een fusie zouden nog eens duizenden banen op de tocht komen te staan, bovenop de 13.000 die in de saneringsplannen van Chrysler sneuvelen. En dan zijn er de dealers. Ook al beklagen die zich erover dat Detroit ze dwingt om te veel auto’s af te nemen, zij zullen er niet blij mee zijn als er plotseling heel veel aanbod verdwijnt.

Dat maakt een overeenkomst niet onmogelijk, maar het bestuur van GM noch dat van Chrysler heeft de reputatie de uitdagingen aan te kunnen die een transactie met zich mee zou brengen. Tenzij ze hun aandeelhouders van het tegendeel kunnen overtuigen, lijkt een fusie nog een brug te ver.

Voor meer commentaar uit Londen: www.breakingviews.com. Vertaling Menno Grootveld