Dikke boeken staan me tegen

Volgens Robbert Welagen is de verhouding tussen fictie en werkelijkheid fundamenteel veranderd.

Met zijn debuut staat hij meteen op de Libris-longlist.

Robbert Welagen Foto Jørgen Krielen Jorgen Krielen/Amsterdam, 12-02-2007/ Robbert Welagen. Krielen, Jorgen

Afstand houden. Het is essentieel voor Robbert Welagen. „Er zit een soort kilheid in mij, die ervoor zorgt dat ik afstandelijk ben”, vertelt de jonge schrijver (Dordrecht, 1981) in de eersteklas restauratie op het Centraal Station in Amsterdam. „Ik heb ruimte nodig om te kunnen ademen. Maar het is dubbel, want hoe belangrijk ik het ook vind om op mezelf te zijn, ik probeer ook contact te maken. De onmacht om die twee te combineren, dat is het pijnlijkste wat er is.”

Het spanningsveld tussen afstand houden en contact zoeken, het is precies waar het Welagen om te doen is in Lipari, de novelle waarmee hij eind vorig jaar debuteerde. Lipari werd goed besproken en is inmiddels doorgedrongen tot de longlist van de Libris Literatuurprijs. En dat is bijzonder voor zo’n jonge debutant.

Hoewel Lipari pas in november uitkwam, heeft Welagen al op verschillende plekken voorgelezen, kreeg hij vragen uit het publiek en moest hij signeren. Is het niet gek om nu zo in contact te komen met zijn lezers? „Nee hoor. Door deze tekst uit te geven, haal je de mensen niet dichterbij, ze raken juist verder van me verwijderd. Ik plaats dit boek tussen mij en de anderen in. Schrijven is voor mij een levensvervangende activiteit.”

In deze krant werd de hoofdpersoon van Lipari vorige maand omschreven als iemand die ‘denkt dat hij ongeschikt is voor het leven’, en zich daarom aan datzelfde leven onttrekt. Welagen: „Wat de jongen in het boek denkt, denk ik ook wel. De personages staan heel dicht bij mij. Hun ervaringen en de emoties die daaruit voortkomen ken ik heel goed. Ik probeer ze in een overzichtelijk verhaal te passen. Het verhaal is overigens niet honderd procent autobiografisch. Wat net buiten je bereik blijft, dat prikkelt je verbeelding, en daar maak ik ook gebruik van.”

De novelle bestaat uit herinneringen van de hoofdpersoon aan een vakantie op het Italiaanse eiland Lipari. Welagen liet zich voor de sfeer inspireren tijdens bezoeken aan Frankrijk, Italië en de Mexicaanse kust. De hoofdpersoon beschrijft ontmoetingen die hij heeft met een stel, Gerard en Chaphine, dat de tijd doodt aan de rand van een verder verlaten zwembad. Welagen: „Voor alle drie geldt dat ze zich, ieder met hun eigen motieven, willen afzonderen van de maatschappij.”

De hoofdpersoon is gefascineerd door Gerard en Chaphine, omdat ze lijken te vervagen, uit het leven lijken te verdwijnen. „Het is alsof hij nog een foto van ze wil maken, voordat ze definitief oplossen.” Welagen vertelt over het werk van de Franse kunstenaar Christian Boltanski (1944), die ook tracht om juist de herinnering, dat wat almaar afweziger wordt, vast te leggen. „Op veel werken van Boltanski zie je verdwijnende mensen of objecten. Denk maar aan The Missing House, dat lege gat in een rijtje woningen in Berlijn, dat staat voor de verdwenen bewoners.”

Lipari speelt zich af in het recente verleden, maar is qua thematiek van alle tijden. Welagen: „De reden waarom iemand zich afzondert of juist niet afzondert verandert alleen steeds. Kijk naar J.M. Coetzee, hij wilde zich afzonderen, maar durfde dat niet omdat de omstandigheden [de apartheid in Zuid-Afrika] hem dwongen tot engagement.” In Lipari is geen sprake van expliciet engagement. „Het is aan de lezers om zoiets op te pikken”, vindt Welagen. „Die personages zonderen zich niet voor niets af.”

Als tienjarige besloot Welagen dat hij naar de Kunstacademie wilde. „Ik heb altijd getekend, ik wilde kunstschilder worden.” Toen hij eenmaal studeerde aan de Kunstacademie in ’s Hertogenbosch, merkte hij dat hij ‘het verhalende’ miste in de beeldende kunst. „De focus ligt veel meer op het conceptuele.” In 2004 was Welagen de eerste kunstacademiestudent die afstudeerde op verhalen. „Ik heb gezegd dat ik met andere middelen dan beeldende kunst hetzelfde doel wilde bereiken. Dat werd geaccepteerd. Ik zie mezelf ook niet meer als kunstenaar, ik voel me meer verbonden met iemand als Joseph Beuys, die radicaal alle hokjes afschafte.”

En een aardser argument: de maatschappelijke positie van de schrijver spreekt Welagen meer aan dan die van een beeldend kunstenaar („dat gedoe met die subsidies”), of bijvoorbeeld een muzikant („in Nederland is geen muziekcultuur”). Nee, dan de literatuur. „Noem me naïef, maar je zult begrijpen dat ik verwacht dat de beschouwende positie van de auteur mij goed zal bevallen.”

Het werk van andere schrijvers neemt hij maar mondjesmaat tot zich. „Ik ben een langzame lezer. Dikke boeken staan me tegen: de schrijver wil zich dan zo opdringen, hij hijgt in mijn nek. Ik wil, daar heb je het weer, afstand bewaren. Na drie pagina’s leg ik het boek weer weg.” Voor Welagen is literatuur een tekst die je kunt koesteren. „Het gaat me niet om de plot, in veel boeken die ik mooi vind gebeurt er ogenschijnlijk bijna niets. Dat creëert spanning. Ik wil niet dat er filosofische gedachten worden verwoord. Ik wil, door de beschrijvingen, het gevoel krijgen dat ik erbij ben. Een zorgvuldig opgeroepen beeld is voor mij geruststellend. De Franse schrijver Patrick Modiano krijgt dat bij mij voor elkaar. Het lijkt erop dat de verhouding tussen fictie en werkelijkheid in de loop van de tijd fundamenteel is veranderd. Vroeger gebeurde er maar weinig in het dagelijks leven. Er werden sprookjes en avonturen verteld om het leven op te vrolijken. Tegenwoordig wordt het leven door de literatuur getemd.”

Robbert Welagen: Lipari. Nijgh & Van Ditmar, 92 blz. € 14,90.

Op 26 maart wordt de shortlist van de Librisprijs bekendgemaakt, op 7 mei de uiteindelijke winnaar. Zie www.libris.nl