Aderlaten heeft geen nut

Eeuwenlang was aderlaten hét medicijn tegen kwalen.

Ten onrechte: bewijs voor de heilzame werking ontbreekt.

Het oeroude aderlaten, tegenwoordig alleen nog toegepast bij erfelijke ijzerstapelingsziekte (hemochromatose), lijkt zinloos.

Volgens de zogenoemde ijzer-harthypothese zou aderlaten helpen bij hart- en vaatziekten. Het idee is dat die aandoeningen bij vrouwen vóór de menopauze veel zeldzamer zijn dan bij even oude mannen. De verklaring zou zijn dat vrouwen bij de menstruatie bloed verliezen en daarmee ijzer. Vrij ijzer, dat niet gebonden is aan het zuurstofbindende bloedeiwit hemoglobine, is berucht als katalysator bij de vorming van krachtige zuurstofradicalen. Die kunnen weer celwanden, eiwitten en DNA beschadigen.

Het ultieme bewijs voor de ijzer-harthypothese werd verwacht van een Amerikaans onderzoek dat vorige week is gepubliceerd in het Journal of the American Medical Association. Van 1.277 patiënten met een vaatziekte in armen en benen kreeg de helft halfjaarlijks een aderlating en de andere helft alleen een klein sneetje, zonder dat werkelijk bloed werd afgetapt. De laatste was dus de controlegroep.

Bij niet alle deelnemers uit de aderlaatgroep werd evenveel bloed afgetapt. De hoeveelheid hing af van de concentratie ferritine. Dat is een in alle weefsel voorkomend eiwit dat overtollig ijzer opslaat. Het is een maat voor de ijzerreserve in het lichaam.

In de 4,5 jaar na het begin van het onderzoek overleden 125 deelnemers (20 procent) in de aderlaatgroep en 148 (23 procent) in de controlegroep, geen duidelijk verschil. Toen daarbij de niet-fatale hartinfarcten en herseninfarcten werden opgeteld, nam het verschil wel wat toe, 180 (28 procent) in de aderlaatgroep tegen 205 (32 procent) in de controlegroep, maar opnieuw was dit statistisch niet significant. Aderlaten lijkt dus geen duidelijke bescherming te bieden tegen hart- en vaataandoeningen.

Het onderzoek lijkt er overigens op te wijzen dat aderlaten bij rokers, bij patiënten met diabetes en ook bij wat jongere patiënten (van 43 tot 61 jaar) wel enig effect heeft. Daarvoor is nieuw, gericht onderzoek nodig.