Stenen olifant

Ik druk net een mug dood tegen de ruit. Een mug, het is half februari. Het geluid van muggen hoort zijn hoogtepunt te bereiken in de zomer, als je in alle naïviteit het raam van je Italiaanse appartement laat openstaan voor frisse lucht.

Maar goed, de lente dient zich vroeg aan dit jaar.

Deze week kreeg ik een boek dat me zelfs al in de zomer deed belanden. Het heet Stadi d’Italia; een boek met nostalgische prentbriefkaarten van Italiaanse voetbalstadions. Het is een ode aan de bouwers en architecten van de plaats waar iedere Italiaan geweest moet zijn: het voetbalstadion.

De kerk, het restaurant, het stadion; dat is een heilige drie-eenheid in Italië. Eerst bidden voor je elftal, ’s middags aan tafel met je vrienden de opstelling bespreken en daarna met een gevulde maag de longen uit je lijf schreeuwen op de tribune.

Het boek is gemaakt door de Nederlandse schrijver Tijs Tummers en de Italiaanse verzamelaar Clino D’Eletto. In hun voorwoord vertellen ze hoe simpel hun idee was: op hun vakantieadressen zochten Tijs en Clino aan het einde van de dag steevast naar vier lichtmasten aan de horizon. Een stadion? Kijken!

Dit boek zou verplichte kost moeten zijn voor alle hooligans die stadions naar de maan helpen.

Ik zoek het stadion van Catania. Twee weken geleden liet op deze plek een politieman het leven tijdens supportersrellen. Op de sepiafoto zie ik een vredig streekstadion op Sicilië, dat in 1937 geopend werd als Stadio Cibalo. In 1941 werd het ook nog een paar jaar vernoemd naar de piloot Italo Balbo, die namens de fascisten door het luchtruim schoot.

Wat een sympathiek stadionnetje had Catania vroeger. Er lopen ronde kalklijnen langs het veld om de atletiekbaan te markeren. De hoofdtribune is matig bezet tijdens de wedstrijd. Naast het doel staat een man bijna met zijn neus tegen het zijnet aan. Vijf meter achter de man staat een jongetje in korte broek, op de plek waar tegenwoordig een agent met een hond staat.

Catania mag niet meer voetballen in het onveilige stadion. Ze verloren dit weekend hun thuiswedstrijd – waar zou die gespeeld zijn? – van Fiorentina.

Het San Siro stadion in Milaan werd na de ernstige voetbalrellen ook als gevaarlijk stadion bestempeld. Er mocht geen publiek in. AC Milan-baas Berlusconi trok de portemonnee en binnen een paar dagen was het in en rond het stadion veilig genoeg en kon het publiek alsnog naar binnen.

Ik vind in het boek een kleurenfoto van een uitverkocht San Siro. In 1955 werden er tribunes bijgebouwd en konden er 83.000 bezoekers in. Wat een mensenmassa, zeker als je terugdenkt aan het handjevol toeschouwers in het oude stadion van Catania.

Er is altijd strijd tussen het zich superieur wanende noorden van Italië en het arme eiland Sicilië, dat door veel Italianen stilletjes tot het continent Afrika wordt gerekend. Hoewel ik graag in Milaan rondloop, moet ik toch zeggen dat ik tijdens mijn vakantie liever in Catania verblijf.

Mijn lieve havenstad vol boeven, waar straten gelegd zijn met gestolde lava van de nabijgelegen Etna. Ik hou van de Siciliaanse koppen, het dikke vrouwenhaar, de woeste Via Etna, de stenen olifant op het plein, Hotel Albergo Moderno, ja, zelfs de muggen mogen daar blijven leven.

Forza Catania, forza Sicilia, sla je door alle ellende heen en blijf drijven in zee.