Overdonderend applaus voor Maurizio Pollini

Concert: Maurizio Pollini, piano, en Alain Damiens, klarinet. Werken van Boulez, Berg, Stockhausen en Liszt. Gehoord: 18/2 Concertgebouw, Amsterdam.

Maurizio Pollini is niet alleen een ‘klassieke’ meesterpianist die excelleert in Chopin en Liszt, maar ook een hartstochtelijk pleitbezorger van de nieuwere muziek. Het tweede verjaardagsrecital dat hij gisteren gaf in het jubileumseizoen van de serie Meesterpianisten, besteedde hij dan ook grotendeels aan twintigste-eeuwse werken. Vorige week vertelde hij in deze krant dat hij het als zijn missie beschouwt om deze muziek ‘te bevrijden uit haar isolement.’

Zo kon het ook dat de voor de serie Meesterpianisten unieke situatie ontstond dat aan het begin van het concert geen pianist maar een klarinettist het podium betrad om een solowerk te spelen. De Fransman Alain Damiens, gepokt en gemazeld in Pierre Boulez’ eigen Ensemble Intercontemporain, speelde diens Dialogue de l’Ombre Double (1984), een werk voor klarinet en klarinet-op-tape. Bijzonder was de ruimtelijke werking van het eerder opgenomen klankspoor, overigens meer in afwisseling dan in dialoog met Damiens. Die speelde virtuoos maar ontspannen, met een aanzet die ook in de snelste passages fluweelzacht bleef.

Samen met Pollini speelde Damiens de Vier Stücke für Klarinette und Klavier, op. 5 van Alban Berg. De vier korte fragmentjes klonken geladen, doordacht. In hun enthousiasme herhaalden Pollini en Damiens ze geheel, waarna zo’n donderend applaus volgde dat de suppoosten abusievelijk dachten dat het pauze was.

Die kwam echter pas na een warmbloedige uitvoering van twee van Stockhausens Klavierstücke nrs 7 en 8. Pollini streefde niet naar klinische exactheid, maar liet de noten vrijelijk stromen, met de nadruk meer op het sensitieve, experimentele aspect van de muziek, dan op de doortimmerde structuur. Ook Klavierstück XIII werd door Pollini, die het duidelijk naar zijn zin had, herhaald.

Het late werk van Franz Liszt (onder meer Nuages gris en La lugubre gondola) liet hij horen als negentiende-eeuwse pendant van de rest van het programma. Met meer (tonaal) referentiekader, maar met dezelfde experimentele geest, die conventies haast vanzelf doet sneuvelen. Pollini speelde bedachtzaam en voornaam – elke noot was overtuigend en intrigerend tegelijk.