Onafhankelijkheid Kosovo moet worden voorkomen

Rusland en de Europese Unie dienen samen het probleem van Kosovo en van andere naar afscheiding strevende gebieden op te lossen. Dat is goed voor Rusland, goed voor de EU en goed voor de stabiliteit van Europa, meent Vladislav Inozemtsev .

Erkenning van de onafhankelijkheid van Kosovo kan uiteindelijk de opheffing van het zogeheten Helsinki-systeem betekenen, waarop de Europese veiligheid is gebaseerd en dat formeel nog bestaat.

Alle schokken die samenhangen met het uiteenvallen van het Warschaupact en met de ineenstorting van de Sovjet-Unie, zijn, hoe tegenstrijdig dat ook klinkt, niet strijdig met de principes van de onschendbaarheid van grenzen, waarop de akkoorden van Helsinki (1975) gebaseerd waren. De DDR werd verenigd met Duitsland volgens artikel 23 van de Duitse Grondwet, die al in 1949 werd aangenomen.

De ineenstorting van het sovjetrijk, van Tsjechoslowakije en van Joegoslavië verliep op basis van de grenzen die in de grondwetten van die staten waren vastgesteld als grenzen tussen delen van de federatie, waarvan elk de jure beschouwd werd als soevereine staat met het recht zich af te scheiden.

Het geval Kosovo is anders. Daar gaat het ten eerste om de onafhankelijkheid van een autonoom gebied, dat nooit als een soevereine staat gezien werd.

Ten tweede draait het hier om een proces dat het resultaat is van strijd van een verzetsbeweging in dat autonome gebied (van buitenaf gesteund) en het ‘moederland’.

In een dergelijke situatie zouden de landen die de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen, het recht van minderheden op opstand aanvaarden, evenals het recht van andere staten zich te mengen in een dergelijk binnenlands conflict.

Zelfs zou zo de mogelijkheid van een staat om zijn territoriale onschendbaarheid te verdedigen in de lucht komen te hangen. Zelfs als de geschiedenis en het staatsbestel met dat geheel als natie verbonden zijn.

Als resultaat van de onafhankelijkheid van Kosovo zal aan de grenzen van de Europese Unie een arme bij voorbaat mislukte staat ontstaan, waarop handlangers van islamitische strijders invloed kunnen uitoefenen.

Daar komt bij dat een dergelijke oplossing van het probleem de situatie op Noord-Cyprus en in Moldavië noch in Georgië – landen die vallen binnen de ‘invloedssfeer’ van de EU’ – niet verbetert.

De onafhankelijkheid van Kosovo zal als precedent kunnen dienen voor de pogingen van Abchazië en Zuid-Ossetië zich van Georgië los te maken, landen die direct aan de grenzen van Rusland liggen. Ook niet ver van Ruslands grenzen liggen de probleemgebieden Transnistrië en Nagorny Karabach, waarvan de status ook nog steeds niet is vastgelegd.

Ten slotte kan de erkenning van de onafhankelijkheid van Kosovo vraagtekens plaatsen bij de legitimiteit van het optreden van Rusland in Tsjetsjenië. Dit zou het geval zijn als men het optreden van Belgrado begin jaren negentig vergelijkt met de Moskous militaire acties tegen Tsjetsjeense onafhankelijkheidstrijders.

Zo staan de Europese Unie en Rusland voor gemeenschappelijke problemen. Daarom is de tijd gekomen om gezamenlijk een begin van een oplossing te zoeken.

Als we kijken naar de gebeurtenissen rondom Kosovo, is het moeilijk te ontkennen dat Rusland, dat meer dan eens door de Europeanen beschuldigd werd van toegeeflijkheid aan ‘halfcriminele’, niet erkende staten, in feite geen haast maakt het Kosovaarse precedent te gebruiken om de onafhankelijkheid van autonome gebieden in postsovjet-staten te erkennen.

Anderzijds wil de EU ook niet dat in redelijk rustige landen als Frankrijk en Spanje de problemen in Corsica en Catalonië escaleren, en dat België te kampen krijgt met het perspectief van een, zij het vreedzame, opsplitsing in Wallonië en Vlaanderen.

Het is zinnig te proberen het probleem van alle soortgelijke gebieden op te lossen die zich in ‘aansprakelijkheidszones’ bevinden van de EU en Rusland. Dit zou moeten gebeuren op een gezamenlijke basis. Die moet het mogelijk maken de status van de ontwikkelingen rondom die gebieden vast te stellen en een juridische positie voor de bevolking ervan te creëren. Een finaal antwoord op de vraag naar het staatsbestel voor de komende 20 à 30 jaar van die gebieden moet worden uitgesteld totdat de wederzijdse betrekkingen tussen Rusland en de EU en de grenzen van hun politieke invloed duidelijk geworden zijn.

Hoe kan men zich zo’n gezamenlijke basis voorstellen?

Ten eerste kunnen de Europese Unie en Rusland de onverbrekelijkheid van de bestaande grenzen van de EU-lidstaten en van de postsovjet Europese landen die niet behoren tot de EU, vaststellen. Dat zou moeten impliceren dat erkenning van de soevereiniteit van alle gebieden zonder vastgestelde status buiten de orde is.

Ten tweede kunnen de Europese Unie en Rusland uniforme speciale identiteitsbewijzen invoeren voor bewoners van ‘probleemgebieden’, wat hun de noodzaak zou ontnemen om onwettig de nationaliteit van Rusland, Roemenië, Turkije en andere landen te verkrijgen.

Ten derde kunnen de EU en Rusland in ieder van die ‘niet erkende’ staten officiële consulaten openen voor de realisatie van het recht van de bevolking op vrij verkeer. Die gezamenlijke consulaten dienen neutraal te zijn en in ieder concreet geval niet de positie van het ‘moederland’ te steunen en ook niet die van de separatisten.

Ten vierde kunnen Rusland en de EU een gezamenlijke vredesmacht samenstellen die verantwoordelijk is voor de ordehandhaving in de probleemgebieden. Na een periode van twintig jaar van vredesgaranties moet het mogelijk zijn een begin te maken met de uitwerking van een structuurplan.

De realisatie van dit plan zou kunnen leiden tot de eerste grootschalige positieve samenwerking tussen de EU en Rusland in de politieke sfeer, een samenwerking zonder welke zij het in de toekomst niet zullen redden.

En los daarvan zou er een precedent gerezen zijn voor oplossing van dit typische Europese probleem binnen het ‘grote Europa’ zonder inmenging van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties, wier interesse in een werkelijke oplossing van het probleem minimaal is.

Ten slotte zou de Europese Unie bij deelname aan een dergelijke samenwerking aanspraak kunnen maken op een volwaardige plaats op het mondiale politieke toneel. Zonder dat zal de politieke identiteit van de EU nog lang onduidelijk blijven.

Vladislav Inozemtsev is politicoloog en econoom. Hij is directeur van het onafhankelijk Centrum voor Postindustrieel Onderzoek te Moskou, hoofdredacteur van het tijdschrift ‘Svobodnaja Mysl’ (De vrije gedachte) en van de Russische editie van Le Monde diplomatique.