Muziekdagen: klein drieluik

Nederlandse Muziekdagen 2007. Gehoord: 17, 18/2 MC Vredenburg, Utrecht. Concertzender: 19/2 22 uur

De Nederlandse Muziekdagen 2007 in Utrecht vormden een merkwaardig drieluik. Drie totaal verschillende dagen – of beter: ‘concerten’, want gemiddeld waren er minder dan twee concerten per dag – trokken elk een eigen publiek.

Vrijdag werden de liefhebbers van nieuwe muziek bediend met wereldpremières van jonge componisten, zaterdag kwam vooral poppubliek luisteren naar Willem Breuker en Spinvis, en gisteren kon het oude-muziekpubliek kennismaken met Der Tod Jesu van de Duits/Nederlandse componist Christian Ernst Graaf (1723-1804).

Hoboïst Bart Schneemann speelde uitstekend in Breukers theatrale en kolderieke hoboconcert Wuivend riet (2000): treiterig trekkend, lyrisch, zwoel, en zelfs improviserend. In Spinvis’ project Afdaling in de ingewanden maakten vooral de arrangementen van Bob Zimmerman indruk, volledig toegesneden op klank en kunnen van het Metropole Orkest, dat overdonderend musiceerde onder leiding van Hamish McKeich.

Mezzosopraan Margriet van Reisen zong bij dit uitstapje naar de popmuziek helaas pijnlijk vals. Een strippende playmate maakte de voorstelling niet echt grensverleggend – verrassender en toepasselijker was de gastroscopie die internist Sjoerd van der Werff live, op groot videoscherm, bij zichzelf uitvoerde.

Dat componist Christian Ernst Graaf juist op de Nederlandse Muziekdagen als ‘herontdekking’ gepresenteerd werd, is wat dubieus: hij werd in Duitsland geboren als ‘Graf’, en had al een hele opleiding achter de rug toen hij rond 1748 naar Nederland kwam, waar hij later (met extra ‘a’) hofkapelmeester van Willem V werd. Hij is dus een voorbeeld van wat componist Alphons Diepenbrock in 1920 nog leidde tot de verzuchting dat in Nederland ‘de geheele muziek een uit Duitschland geïmporteerde zaak is’.

Der Tod Jesu (1802) is dan ook in alle opzichten Duits. Het archaïsche openingskoor, op de melodie van ‘O Haupt voll Blut und Wunden,’ doet onwillekeurig denken aan de (destijds nog niet herontdekte) Matthäus van Bach, en verder klinkt het vaak Haydn-, soms zelfs Mozartachtig. De muziek is zeker heel aardig, maar meeslepende dramatiek ontbreekt grotendeels; het blijft voortdurend luchtig en hoffelijk.

De Bachvereniging zong en speelde licht en transparant. Dirigent Van Veldhoven bracht veel leven in de muziek door tempovariatie. Sopraan Marieke Steenhoek was loepzuiver maar ook erg ongenaakbaar van klank; tenor Marcel Beekman was minder gepolijst maar liet meer nuances horen.