Landschap, daar gaat het om

Zaten met vier dichters rond een tafeltje. We praatten niet over symboliek, slordige regels, verafschuwde of bewonderde collega’s maar over het Nederlandse landschap.

Dat zit dichters hoog. En dichters niet alleen. We hadden het over de bedrijventerreinen bij elk miniem plaatsje, de eindeloze reeksen kantoorgebouwen die op een ‘zichtlocatie’ langs de snelwegen staan, de rondwegenziekte, de kassenepidemie, de woekerende lelijkheid.

Helemaal toevallig was dat niet, want een van die dichters was Willem van Toorn, van wie onlangs het pamflet Projekt Nederland verscheen, waarin het over al zulke ellende en meer gaat. Maar het opmerkelijke was dat we er allemaal veel gevoelens en voorbeelden bij hadden. Daar hoef je geen dichter voor te zijn. Iedereen heeft dat.

Intussen waren we op weg naar Schiermonnikoog. Op Schiermonnikoog is Nederland nog niet verpest. Er zijn geen bedrijventerreinen of clusters kantoorgebouwen, geen snelwegen, geen nieuwe kastelen of vinexlocaties, zelfs geen golfbaan gezien.

De andere kant van Schiermonnikoog is natuurlijk dat er ook niet veel te doen is, economisch gesproken, behalve in de toeristenindustrie. Elders is dat wel anders. Dat pleit niet tegen zorg voor de omgeving elders, oog voor landschap moet ook betekenen: het gelukkig laten samengaan van profijt en leefbaarheid.

Er zijn een paar boeren op Schiermonnikoog, en dat is maar goed ook, want daardoor heeft het eiland dat mooie contrast tussen weilanden (met enórme troepen brandganzen) en natuur of wat daarvoor doorgaat. Nederland heeft geen natuur, wij hebben alleen natuurgebieden of nieuwe natuur. Sommige van die natuurgebieden zijn heel mooi, denk aan de Hoge Veluwe of de Veluwezoom, de Biesbosch, de Wadden, de duinen.

Er is veel aandacht voor natuur, we kunnen er blijkbaar bijna niet genoeg van krijgen, we graven er tunnels onderdoor, we ‘realiseren’ natuur waar we maar kunnen, ‘grote grazers’ verschijnen alom om voor een ‘open landschap’ met veel bruine sprieten te zorgen en wandelaars de stuipen op het lijf te jagen.

Enfin. Natuur. Van Toorn wijst er in zijn pamflet terecht op dat ‘natuur’ misschien niet het belangrijkste is als we het over Nederland hebben. Landschap, dáár gaat het om. In een landschap ben je thuis. Het Nederlandse landschap, zoals je dat kent en kende, dát maakt dat je met welbehagen om je heen kijkt: de kronkelende dijken die boven de weilanden uitsteken, de uiterwaarden van een rivier, de lange smalle percelen weiland en de molens in het westen, de terp- en wierdedorpen in het noorden, de omgeploegde akkers met hun glimmende kleischollen, het Drentse essenlandschap, de buitens in Twente en de Achterhoek met hun grote rode beuken, het heuvelige Limburg met holle wegen, bloeiende fruitbomen en burchtachtige boerderijen.

Of, nu op Schiermonnikoog, het wad zilverig grijs in vage zon of blauwig glinsterend als de zon doorbreekt, heel ver, en overal vogelgeluiden, wulpen, tureluurs, scholeksters – allemaal bezig te leven, bezig met hun snavels door het water te zoeken, de schelpdiertjes op te pikken die je als duizenden uitstulpseltjes op de drooggevallen platen ziet. Wat kan een mens meer willen dan dat te zien. Hoe gelukkig ben je dan, zeker als je die tureluurs hoort – ‘het wielend roepen’ schreef Ida Gerhardt over hun geluid – hoe Nederlands ben je dan.

Later naar huis gereden, weilanden, molens, wierdedorpen, het Boterdiep met geel riet langs de kant, de enorme schuren van de Groninger boerderijen, overal in de bomen al het opgewonden tjirpen van zangvogels met de lente in de kop „of zalig worden gesproken/ dit laagland en wie het bevolken” . Weer Gerhardt.

Op de televisie was zaterdagmiddag te zien hoe mensen op Texel en op Wieringen het landschap lazen, in de bodem sporen aanwezen van 15.000 jaar geleden, keken naar dijken die in de 18de eeuw nog land van zee scheidden, maar nu midden op een eiland liggen. „Er is waarschijnlijk geen landschap ter wereld dat zich zó als een geschiedenisboek laat lezen als het Nederlandse”, zei iemand.

Je zwelt van trots. Je voelt wat een rijkdom we hier hebben. Landschap. Nederland.

Maar op de e-mailberichten van de vereniging Op Goede Grond, die vecht tegen een kassencomplex van vierhonderd hectare op het donkerste stukje Nederland, de polders bij de Eemshaven; om het dorp gedreun van bulldozers die een nieuwe bredere rondweg aanleggen; in het pamflet van Van Toorn de foto’s van Theo Baart die de helaas maar al te vertrouwde aanblik van Alexanderpolder bieden met megashopping en megaparkeren, de truttige nieuwe kastelen, de met schoon zand opgespoten weilanden waar weer enorme zielloze wijken moeten verrijzen. Zag laatst een documentaire over het eiland Tiengemeten, waar het blijkbaar ook zo evident is dat natuur met grazers oneindig veel nastrevenswaardiger is dan een oprijlaan met oude bomen, waar mooie functionele boerenbedrijven staan te verkrotten ten gerieve van wandel- en fietsnatuur met ‘lichte horeca’.

Greep naar het essay dat minister van Landbouw, Cees Veerman, heeft geschreven over het platteland. Hij kan lang niet zo mooi schrijven als Van Toorn. Maar hij heeft gelukkig wel iets begrepen van de waarde van het platteland als ‘drager van het goede leven’ en dan bedoelt hij niet ‘lichte horeca’.

Hopelijk leest de nieuwe minister dat essay eens goed door en grijpt ze dan naar Van Toorns pamflet. En ook de nieuwe minister van Ruimtelijke Ordening. En de nieuwe Tweede Kamer. ,,Alleen de politiek kan de beschamende situatie doorbreken waarin we met het landschap zijn terechtgekomen” schrijft Van Toorn. Dus zit daar niet zo jongens. Doe wat.