‘La Juive’ is ook in schemer spektakel

Stakingen van belichters dwarsboomden vrijdag in Parijs de première van de opera La Juive van Halévy in de regie van Pierre Audi. Maar ook in schemerig spaarlicht was het ‘grand opéra’ in grootse stijl.

Repetitiefoto met belichting van ‘La Juive’ van Jacques Fromental Halévy in de Opéra Bastille in Parijs, met in het midden bas Robert Lloyd als Kardinaal de Brogni. Foto Ruth Walz Walz, Ruth

Mischa Spel

Tot op het laatst bleef het onzeker. Wat zou er, ondanks de staking van belichters, te zien zijn tijdens de première van de grand opéra La Juive van componist Halévy? Regisseur Pierre Audi, debuterend in Parijs, hoopte op een concertante uitvoering. Begrijpelijk, want net als de Amsterdamse enscenering die Audi en decorontwerper George Tsypin maakten van Wagners Der Ring des Nibelungen is hun ontwerp van La Juive – een coproductie met De Nederlandse Opera en hier in 2009 te zien – een ‘hightech’ uitgevoerde designvoorstelling, waarvan licht organisch deel uitmaakt.

De première van La Juive ging vrijdag in de Bastille ondanks alles ‘gewoon’ door, met kostuums, decors en een noodbelichting van twee spots, bouwlicht en – incidenteel – een opgloeiend element in het decor. Wie niet wist van de staking, tastte letterlijk en figuurlijk in het duister. Om te voorkomen dat de overige theatertechnici het werk óók zouden neerleggen, weigerde intendant Gerard Mortier een aankondiging van de staking vooraf toe te laten, waarop Audi en team weigerden na afloop hun applaus in ontvangst te nemen. Een donderovatie was het, want hoe treurig en frustrerend ook voor Audi en Tsypin – de noodlampen waren nipt voldoende om te kunnen zien hoe zij van La Juive een tijdloze opera hebben gemaakt in grootse stijl – een ‘grand opéra’ waarin de tijdloze aspecten van isolement, discriminatie en zelfopoffering zijn verbeeld in een kathedraal annex gevang van licht, glas en staal.

La Juive (1846) is ondanks zijn overdadige pracht- en praalscènes geen populair werk. Ook niet in Parijs, waar de laatste opvoering in 1934 te zien was. Toch werd La Juive destijds gewaardeerd door Berlioz (verwante melodische vondsten zijn volop naspeurbaar) – en Wagner. Sommige scènes zijn weinig verrassend van opzet, maar de tot ruim drie uur gecoupeerde muziek bevat onverwachte kleuren (orgel, gitaar, klezmerachtig schmierende blazers) en vooral tijdens sleutelconfrontaties sterke, wringende ensembles.

Het inktzwarte verhaal speelt ten tijde van het Concilie van Konstanz (1414) en is door librettist Eugène Scribe kleurig uitgewerkt naar een slotscène van ongehoorde gruwelallure. Rachel, dochter van de Joodse smid Éléazar, houdt het met smidsmaatje Samuel, die een katholieke prins blijkt te zijn. Kardinaal Brogni – die ooit zelf een dochter is kwijtgeraakt - veroordeelt de transreligieuze geliefden en Éléazar ter dood, maar Rachel redt Samuel door zijn onschuld te bepleiten. Als Brogni zich hardop afvraagt of zijn eigen dochter nog leeft, onthult Éléazar dat het Rachel is, die juist op dat moment in de kokende olie stapt.

Geboren in Libanon, land van vele godsdiensten, leek Audi de geknipte regisseur voor het ensceneren van La Juive. Maar voor Audi is het vooral ook een opera over onverschilligheid en strijd tussen mensen, verbeeld door het contrast tussen de intimiteit van de zwervenden (een kaarsverlichte Pesachviering) en de geïnstitutionaliseerde grandeur van de Kardinaal en zijn gevolg.

Juist die wisselwerking maakt La Juive visueel aantrekkelijk. De monumentale glaskathedraal van de eerste akte is later een metalen, met trappen doorkruist bouwwerk, dat aan een voet van de Eiffeltoren doet denken. Alleen tijdens de ouverture en in de slotscène maakt het plaats voor de leegte van wie nergens thuis hoort (Éléazar en Rachel) en, ten slotte, voor een veld van vurige kooltjes.

Het is te hopen, maar budgettair onwaarschijnlijk, dat La Juive in Amsterdam zal gaan dezelfde sterrencast, en onder dezelfde streng accurate, vurig stuwende leiding van Daniel Oren. Zwaardere tenorpartijen dan die van Éléazar zijn nauwelijks denkbaar, maar rolroutinier Neil Shikoff maakt van Éléazars grote aria een smeltend hoogtepunt van menselijke onmacht. Als zijn tegenhanger is de breekbaar autoritair zingende Robert Lloyd niet alleen vocaal de gedroomde kardinaal de Brogni. En hoe welluidend, vloeiend en krachtig Anna Caterina Antonacci de rol van Rachel ook invult, zij wordt nog voorbijgestreefd door de stralende coloraturen van Annick Massis (Eudoxie) – terecht met een minutenlang open doekje beloond.

T/m 20/3 in Opéra Bastille. Inl. www.operadeparis.fr

    • Mischa Spel