Gewetenloze wetsdienaar

Nazi-collaborateur Maurice Papon was het Franse gezicht van een universele figuur: de gewetenloze dienaar van zijn superieuren.

Hij zat maar 3 jaar in de cel.

Met het overlijden van de 96-jarige Maurice Papon komt Frankrijk weer een beetje verder af te staan van zijn meest beladen hoofdstuk uit de twintigste eeuw: Vichy, het met de Duitsers collaborerende regime dat een deel van het land tijdens de Tweede Wereldoorlog bestuurde.

Papon werd in april 1998 bij verstek tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld voor misdaden tegen de menselijkheid, wegens zijn betrokkenheid, als ambtenaar, bij de deportatie van joden tussen 1942 en 1944 in Bordeaux. In 1999 verdween hij ook daadwerkelijk de cel in, nadat hij in Zwitserland was gearresteerd en vervolgens aan Frankrijk was uitgeleverd. In 2002 werd Papon vrijgelaten omdat zijn gezondheid slecht was en om te voorkomen dat hij in gevangenschap zou overlijden. Zaterdag overleed hij in een kliniek nabij zijn woonplaats Gretz-Armainvilliers, ten zuidoosten van Parijs.

Dat Maurice Papon zou uitgroeien tot ijkpunt in de Franse oorlogsherinnering was 65 jaar geleden, op het moment van de feiten, moeilijk te voorspellen geweest. Papon gold in Vichy als een veelbelovende ambtenaar sinds hij in 1940 de eed van trouw had afgelegd aan maarschalk Pétain. Maar een leidende rol in het regime had hij niet. Op de prefectuur in Bordeaux leidde hij als secretaris tussen 1942 en 1944 het Bureau voor de joodse kwestie. In die rol werkte hij, vanachter het bureau, mee aan de deportatie van bijna 1.700 joden.

Door zijn veroordeling, na een proces van zes maanden, groeide hij meer dan vijftig jaar na dato uit tot de collaborerende ambtenaar bij uitstek. Het Franse gezicht van een universele figuur: de gewetenloze dienaar van zijn superieuren. Er waren andere, hogergeplaatste en kandidaten voor die rol geweest. Zoals de politiechef van Vichy, René Bousquet. Maar Bousquet, die de bescherming genoot van zijn vriend president Mitterrand, werd in 1993 in Parijs doodgeschoten door een geestelijk gestoorde man.

Ook Papon leek lang aan zijn verleden te zullen ontsnappen. In oktober 1944 toonde hij een certificaat waarop stond dat hij bij het verzet betrokken was geweest. Hij verscheen niet voor de zuiveringscommissies die oordeelden over Vichy-bestuurders. Zijn carrière kende geen breuk. Hij groeide uit tot een ambtenaar aan wie lastige en gevoelige posities werden toevertrouwd. Zo trad hij begin jaren vijftig namens het Franse bestuur in het protectoraat Marokko op tegen nationalisten. Tussen 1956 en 1958 was hij prefect in de Algerijnse stad Constantine, midden in de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog.

In 1958 werd hij benoemd als prefect in Parijs, een sleutelpost in tijden van onrust. Papon kreeg ook het vertrouwen van generaal De Gaulle, de aanvoerder van het vrije Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog, toen deze in 1958 als president aantrad. In de jaren die volgden bouwde Papon een reputatie op als houwdegen in dienst van de orde. Als prefect kreeg hij de vrije hand om op te treden tegen Algerijnse demonstranten in 1961. Na de demonstratie dreven de lijken in de Seine. Schattingen over het aantal doden – nog altijd omstreden – lopen uiteen van 35 tot meer dan 200.

Het brak de carrière van Papon niet. Tussen 1977 en 1981 was hij, onder president Giscard d’Estaing, minister van Begroting in de regering van premier Raymond Barre. In dat laatste jaar kwamen de eerste onthullingen over Papons rol in Vichy. Maar tot een proces kwam het jarenlang niet. Papon vertegenwoordigde in zekere zin een continuïteit tussen Vichy en de Republiek, die van Charles de Gaulle tot en met François Mitterrand altijd ontkend bleef. Pas Jacques Chirac erkende kort na zijn aantreden al president in 1995 dat Vichy onlosmakelijk deel uitmaakt van de geschiedenis van de Franse staat.

Het proces tegen Papon, en zijn veroordeling, was voor Frankrijk een belangrijke stap in de verwerking van dit besef en van het Franse oorlogsverleden, net als eerder het proces tegen nazi-beul Klaus Barbie (in 1987) en Milice-leider Franck Touvier (1994).