Demonen

Aan het einde van zijn vorige week verschenen boek Avonden op het Landgoed (ondertitel: Op reis met Gerard Reve, 18-26 augustus 1997) schrijft Erwin Mortier: „Niettemin hoop ik dat ik bijna tien jaar na dato onze reis naar Frankrijk kan afronden, en dat ik de Gerard Reve die ik gelezen, gekend, vervloekt en bemind heb, waardig te rusten kan leggen.”

Het is niet helemaal duidelijk hoe Mortier het woordje ‘waardig’ bedoelt. Heeft hij Reve met zijn boek op waardige wijze te ruste willen leggen, of hoopt hij dat Reve mede dankzij dit boek waardig kan rusten in zijn graf te Machelen?

In het laatste geval heb ik grote twijfels, want we krijgen in dit boek een weinig verheffend beeld van Reve in zijn privéleven. Mortier en zijn vriend Lieven Vandenhaute brachten in 1997 ruim een week met Reve – zonder zijn levensgezel Joop Schafthuizen – door op zijn ‘Geheime Landgoed’ bij het plaatsje Le Poët-Laval in Frankrijk. De logeerpartij ontaardt al snel in een ware beproeving voor de gasten.

Vroeger hadden ze samen ‘steeds uiterst genoeglijke dagen’ doorgebracht, maar nu ‘komt een andere Gerard naar voren’, schrijft Mortier in zijn dagelijkse notities. „Het is alsof oude demonen uit hun slaap zijn wakker gerukt. Er staat geen maat meer op Gerards fantasmen, zijn drankgebruik en zijn gebrek aan zelfrespect.”

Reve dringt zich voortdurend, ook ’s nachts, aan zijn gasten op, liefst naakt of in ‘roze onderbroek’, ongewassen, stinkend en dronken. „Maar wat ik tot nu toe op het Landgoed heb gezien, kan ik als niets anders dan pure waanzin betitelen”, schrijft Mortier.

Hoe je het ook wilt noemen, het woord ‘waardig’ ligt niet het meest voor de hand. Ik zou eerder denken aan ‘ontluisterend’.

Mortier noemt zijn boek in de inleiding van ‘biografisch belang’, omdat het „een momentopname laat zien van ‘de herfst van een schrijversleven.’’’ In die zin valt zijn boek inderdaad nu al niet meer weg te denken uit het vele dat over Reves persoonlijke leven is geschreven en nog zal worden geschreven. Maar de échte biograaf, in Reves geval Nop Maas, zal de vraag moeten beantwoorden in hoeverre het gedrag van Reve tegenover zijn Belgische gasten representatief was voor zijn persoon.

Wim Hazeu en Bert de Groot, twee van Reves uitgevers, hebben ook geschreven over hun bezoek aan Reve in Frankrijk: Hazeu in 1980, De Groot in 1999. Zij beschrijven niet zulke wrange ervaringen als die van Mortier, of wilden zij dat hun gastheer niet aandoen? Wat mij achteraf in het verhaal van De Groot opvalt, is zijn verwijzing naar Reves steeds vaker falende geheugen. „Het zoeken naar woorden maakt hem, die leeft bij de gratie van het woord, angstig en onrustig.”

Mortier had daar ook wel iets van gemerkt, zei hij tegen De Morgen, maar toch stond voor hem vast: „Al met al denk ik dat wat wij hebben meegemaakt met Reve geheel op rekening van zijn karakter komt, en niet op die van zijn ziekte.”

Dat zou kunnen, al lijkt het me moeilijk bewijsbaar, maar toch vraag ik me af of sommige bewonderaars en vrienden van Reve niet de demon van de dementie onderschatten, die toen al zijn verwoestende afbraak moet zijn begonnen. De laatste demon die Reve plaagde – en de enige waar geen enkel verweer tegen mogelijk was.