Bundel krachten bij inrichting van ons land

Het siert de Rijksbouwmeester Crouwel dat hij pogingen doet om de discussie over de inrichting van ons land aan te zwengelen (NRC Handelsblad, 3 februari).

Het gaat Crouwel daarbij natuurlijk niet om het architectonische niveau van de gebouwen op zich, maar vooral over de aaneengesloten sliert van bedrijfsgebouwen en woningen.

Over het algemeen betreft het naargeestige eenheidsworsten. De nieuwe lintbebouwing langs grotere wegen is een ontwikkelingsmodel dat we nooit als oplossing hebben gewaardeerd.

Oosterhuis vertegenwoordigt een architectuuropvatting die uitgaat van een eigen dynamiek van ruimte en bebouwing. Een vrije marktwerking stimuleert die dynamiek, en dat treft want het is de markt die vraagt. Is dit een vrijheid waar bewoners, recreanten of weggebruikers nog wel waardering voor kunnen opbrengen?

Als opdrachtgevers al willen nadenken over kwaliteit, gaat dit over het algemeen niet verder dan de voordeur.

Samen met de ontwerpers hebben zij, gezien de enorme schaarste en kwetsbaarheid van onze ruimte, een zware taak en verantwoordelijkheid om verder te kijken en op een hoger abstractieniveau te denken. Het is de hoogste tijd dat de overheid bij de ontwikkeling van deze verantwoordelijkheid een sterke(re) rol gaat spelen. De bijzondere uitdaging ligt er om de unieke ontwikkel-, ideeën-, en bestuurskracht die wij in Nederland bezitten te bundelen.