Bedenkelijk peil atleten

Vier onbekende atleten hebben zich geplaatst voor de EK indoor in Birmingham.

De vraag is: zijn het eendagsvliegen? De coaches bestrijden die opvatting.

Atletiek in Nederland associeer je met Rens Blom, Bram Som, Rutger Smith of Karin Ruckstuhl, en niet met Ate van der Burgt, Michiel Löschner, Robbert-Jan Janssen of Martijn Nuijens. Toch hebben deze onbekenden zich al ver voor de NK geplaatst voor de EK indoor in Birmingham. Het gevolg van prettige limieten, maar ook het verhaal van atleten die een impuls aan een uitzichtloze sportcarrière hebben gegeven.

Martijn Nuijens (23) loopt kort na de NK licht verdoofd door de hal. De student elektrotechniek uit Den Helder heeft zó slecht gepresteerd, dat hij wanhopig verklaringen zoekt. De hoogspringer had zich in Gent willen profileren voor zijn eerste grote toernooi, maar het ging van geen kant. Nuijens sprong niet hoger dan 2,12 meter, terwijl hij zich met 2,24 meter voor de EK heeft geplaatst. „Ik zit helemaal met mijn gedachten in de knoop”, zei hij zichtbaar ontdaan.

Een uurtje eerder had Michiel Löschner zijn hart gelucht tegenover zijn vriendin en zijn trainster Grete Koens. De twee vrouwen probeerden de loper op te beuren, maar dat lukte niet echt. De dertigjarige middellangeafstandsloper bleef mokken; hij kon er maar niet over uit „zo rampzalig slecht” te hebben gepresteerd op de 800 meter, waarop Arnoud Okken verrassend Europees kampioen (outdoor) Bram Som versloeg.

Löschner heeft zich voor ‘Birmingham’ geplaatst op de 1.500 meter en wilde zich op de NK nog een keer testen. Hij koos voor de 800 meter, omdat hij een harde wedstrijd wenste. De atleet uit Baarn kreeg wat hij verlangde, alleen kon hij zich niet in de strijd mengen. En dat stemde hem behoorlijk mismoedig. „Poeh, hoe kom ik deze klap te boven?”

Zijn Nuijens en Löschner eendagsvliegen? Moet dat de conclusie van de NK in Gent zijn? Wellicht, hoewel beiden – en meer nog hun coaches – die kwalificatie verre van zich werpen. Vooral Gina Dubnova, de trainster van Nuijens, reageert fel als de mogelijkheden van haar pupil in twijfel worden getrokken. „Deze jongen heeft het in zich om 2,30 meter te springen”, spreekt ze met een zwaar Russisch accent, op een toon die geen tegenspraak duldt.

Dubnova is onmiskenbaar het type dat gestaald is door de kadaverdiscipline uit de tijd van de voormalige Sovjet-Unie. Ze laat duidelijk blijken dat Nuijens voor de sport moet kiezen. „Hoe kan ik die jongen beter maken als ik hem twintig dagen niet zie; de voorbereiding op de NK was belachelijk slecht. Hij kan goed worden, maar dan moet ik hem dagelijks tot mijn beschikking hebben.”

Nuijens zou wel willen, maar hij voelt er vooralsnog niet veel voor zijn laatste studiejaar op te geven. Maar de coach stelt de hoogspringer wel voor een dilemma, omdat hij zoveel beter is geworden in de drie maanden dat hij wordt getraind door Dubnova, die met de Tsjech Jaroslav Bába op de Spelen in Athene (2004) een bronzen medaille won.

Koens, de vrouw achter Löschner, reageert minder emotioneel dan de loper. „Het komt wel goed”, zegt ze. En waarom zou Löschner niet vertrouwen op de oud-atlete? Hoewel hij al dertig jaar is, zag zij mogelijkheden hem beter te maken. Maar dan wel op de 1.500 meter, een afstand die Löschner verfoeit. „Ik loop liever de 800 meter, de 1.500 meter vind ik een rampafstand.” Koens glimlacht om die kwalificatie: „Het is heel simpel: ik vind hem beter op de 1.500 meter.”