‘Welk lichaam kan dit nog aan?’

De Britse tennisprof Tim Henman had zijn rentree komende week gepland in Rotterdam. Maar een knieblessure houdt hem aan de kant. „Ik moet eerst de strijd tegen mijn lichaam winnen.”

Tim Henman: „We moeten niet naar de spelers wijzen, maar kijken naar de oorzaak. De kalender zit te vol.” Foto AFP A portrait taken 31 October 2001 at Paris Bercy Palais Omnisports of British Tim Henman during a break in his match against French opponent on the third day of the ATP's Paris Master Series indoor event. Julien Boutter won 6-4, 6-3. AFP PHOTO JACQUES DEMARTHON AFP

Aan de boorden van de rivier de Theems, zo’n twintig kilometer buiten Londen, ligt in het plaatsje Buckinghamshire het Bisham Abbey National Sports Centre. Het complex dat ooit toebehoorde aan Henry VIII en Elizabeth I is het decor waar Tim Henman al maanden aan een terugkeer in het profcircuit werkt. Buiten klettert de regen tegen de ruiten, binnen maakt de tennisser op de loopband zijn dagelijkse kilometers. Graag had Henman (32) de Engelse countryside deze week verruild voor Rotterdam, maar zijn linkerknie voelt nog altijd niet goed. Toch brengt het blessureleed hem nauwelijks uit zijn humeur. Rond lunchtijd stapt hij de bar van het trainingsonderkomen binnen. De tennistas slingert Henners in een hoek. Henman pakt een drankje uit de koelkast, bestelt een sandwich en gaat zitten.

Voordat het vraaggesprek goed en wel op gang is, neemt een van de succesvolste Britse proftennissers ooit zelf het woord. Hij begrijpt dat dit interview bedoeld is als een voorverhaal voor het 34ste ABN Amro-toernooi. Het evenement waar Henman maandag zijn rentree zou gaan maken. „Ik werk op dit moment keihard om mijn oude niveau te halen. Maar als ik de baan op stap wil ik me honderd procent voelen. Ik speel alleen als ik een kans heb om te winnen. Anders heeft het geen zin. Dat is voor de toeschouwers in Rotterdam toch ook niets?”

Een paar dagen na het gesprek deelt toernooi-directeur Richard Krajicek mee dat Henman dit jaar tot de afzeggers behoort. Net als de Nederlander Raemon Sluiter, de Cyprioot Marcos Baghdatis, de Kroaat Mario Ancic, de Fransman Sebastien Grosjean en de Zweed Joachim Johansson.

Twaalf maanden geleden maakte Henman misschien wel de bizarste editie van het World Tennis Tournament in Rotterdam mee. In de aanloop naar het indoortoernooi lieten maar liefst dertien spelers – onder wie Roger Federer, Rafael Nadal en Marat Safin – het afweten. Henman kampte destijds met een pijnlijke rug, maar Krajicek liet gekscherend weten dat hij de Brit bedreigd had. „Als je niet speelt kom je in grote problemen”, stelde de toernooi-directeur lachend. De in Oxford geboren prof begreep de boodschap en maakte voor de elfde keer op rij zijn opwachting in Ahoy.

„Wat er vorig jaar in Rotterdam gebeurde was verschrikkelijk. Awful. Zoveel afzeggingen is slecht voor een toernooi, maar misschien nog wel slechter voor het tennis in het algemeen”, legt Henman uit. „Daardoor krijgen wij als sporters een slecht imago. We moeten niet naar de spelers wijzen, maar kijken naar de oorzaak. De kalender zit te vol. Van januari tot eind november zijn er toernooien. ‘Dan speel je toch niet’, wordt er gezegd. Maar zo werkt het niet als je een ranking in stand wilt houden. In ruim een maand tijd moeten spelers van Doha naar Australië, spelen ze Davis Cup in Zuid-Amerika om daarna in Europa aan het indoorseizoen te beginnen. Welk lichaam kan dat aan? Het mijne zeker niet meer.”

Even verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. Henman is er zich van bewust dat hij tot de oudste actieve proftennissers behoort. De servicevolleyspecialist speelde in oktober vorig jaar zijn laatste partij in Zwitserland tegen Stanislas Wawrinka. Aan stoppen denkt de vader van twee dochters, Rosie (4) en Olivia (2), echter niet. „De voorbije drieënhalve maand ben ik thuis bij mijn vrouw en kinderen geweest. Dat zijn we als gezin niet gewend. Begrijp me niet verkeerd, als vader is dat prachtig. Maar tennissen zit in mijn bloed. Op de baan staan en vechten voor ieder punt. Topsport is met niets anders te vergelijken. Een tennisloopbaan duurt kort. Het lijkt nog als de dag van gisteren dat ik in 1996 voor het eerst in de kwartfinales van Wimbledon stond. Zolang het kan, probeer ik daarvan te genieten.”

Henman kijkt met een goed gevoel terug op de afgelopen dertien jaar. De rechtshandige tennisser won elf toernooien en stond vier keer in de halve finale van Wimbledon. In juli 2002 was hij de nummer vier van de wereld. „Ik ben trots op wat ik tot nog toe heb gepresteerd. Misschien had ik een ander speltype moeten ontwikkelen. Het spelen van servicevolley wordt door de langzame banen en de zwaardere ballen steeds moeilijker. Zonde, want het is mooi als er een contrast tussen twee spelstijlen bestaat. Het toernooi van Rotterdam had voorheen ook veel snellere banen. Dat vonden Nederlandse tennissers als Jan Siemerink en Richard Krajicek toch ook heerlijk?”

Zowel Siemerink als Krajicek wist het toernooi in Ahoy te winnen. Henman haalde drie keer de eindstrijd, maar verloor even zo vaak. In totaal verloor hij zelfs zeventien van de 28 finales die hij speelde. Het leverde hem het imago van een choker op, een tennisser die op de beslissende momenten verkrampt. „Tja, wat zal ik daarop zeggen. Ik heb te veel finales niet gewonnen. Dat is een feit. Op een gegeven moment verloor ik er zeven op een rij. Dan gaat de psychologie wel een rol spelen. Of je dat nu wilt of niet. De enige remedie is dan een finale winnen. Op de baan mag je daar niet aan denken.”

Henman kreeg een paar jaar terug hulp van een Amerikaanse sportpsycholoog. „Ik wilde in een bepaalde fase van mijn carrière té graag winnen. Te geforceerd mezelf bewijzen. Ik speelde met gedachten als ‘in deze game móet ik hem breaken’. Ik heb geleerd een tennisduel anders te benaderen. Het draait om de strategie. Ieder punt is even belangrijk. In principe is er geen verschil tussen het eerste punt in de eerste ronde van Rotterdam en het laatste punt in de finale van Wimbledon.”

In zijn dromen heeft Henman het laatste punt op zijn geliefde Wimbledon duizenden malen gespeeld. Op de grasbanen van The All England Club voelt Henman zich thuis. Daar waar zijn overgrootmoeder in 1901 als eerste vrouw bovenhands serveerde en waar zijn grootvader in 1948, 1950 en 1951 de derde ronde haalde. Dertien keer deed Tiger Tim mee aan het meest prestigieuze tennistoernooi ter wereld, maar de hooggespannen verwachtingen van het Engelse volk kon hij niet waarmaken. Het is inmiddels 71 jaar geleden dat Fred Perry als laatste Engelsman de hoofdprijs pakte.

De kans dat Henman aan het einde van zijn loopbaan het toernooi nog een keer wint, is nihil. „Sommige mensen denken misschien dat de druk om te presteren op Wimbledon voor mij te groot is. Maar zelf zie ik dat niet zo. Ik vind het juist prachtig om daar te spelen. I love it. Ik heb daar als kleine jongen ook als toeschouwer rondgelopen. Ik keek op tegen spelers als Björn Borg en Stefan Edberg. Als Wimbledon eenmaal begint, probeer ik me af te sluiten voor de buitenwereld. Kranten lees is dan bijvoorbeeld bewust niet. Ik kan me niet bezig houden met dingen waar ik geen controle over heb. Tijdens de regenpauzes kijk ik wel eens naar beelden op televisie. Dan zie je al die mensen in rijen voor de kassa’s liggen, de gekte op Henman Hill. ‘Gaat dat allemaal over mij’, denk ik dan. Ongelooflijk. Dat maakt wel emoties in mij los.”

Wimbledon is ook de plaats waar Henman en Krajicek voor het eerst tegenover elkaar op een tennisbaan stonden. In 1997, het jaar waarin Krajicek zijn titel in Londen probeerde te verdedigen, troffen de twee elkaar in de achtste finales. Vlak voordat de duisternis inviel, won Henman de partij in vier sets. „Ik probeer Krajicek zoveel mogelijk aan die partij te herinneren”, zegt Henman lachend. „Ik zie hem nog lopen op de baan. Die trieste tred, de schouders naar beneden hangend. Klagen dat hij niets zag. Buiten de baan was Krajicek heel anders. Ik heb hem leren kennen als iemand met veel gevoel voor humor.”

Met bewondering kijkt Henman naar de manier waarop Krajicek na zijn profloopbaan aan een maatschappelijke carrière bezig is. „Het is echt niet om te slijmen, maar het toernooi van Rotterdam heeft klasse. De hal zit altijd vol mensen. In 1996 kwam ik er voor het eerst. In de eerste twee rondes won ik van Jan Siemerink en Carlos Moyá. In de kwartfinales zou een absolute kraker volgen. Een partij tegen de nummer één van de wereld, Pete Sampras. Gespannen kwam ik op de bewuste dag ’s ochtends de kleedkamer binnenlopen. Opeens word ik gefeliciteerd. ‘Je staat in de halve finale’, zeiden ze. Sampras was door zijn enkel gegaan en zat op dat moment al in een vliegtuig terug naar de VS. Sindsdien ben ik in Rotterdam altijd van de partij geweest. Ik had die lijn graag doorgetrokken.”

De laatste jaren is de druk op de schouders van Henman door de snelle opkomst van de Schot Andy Murray minder geworden. Op Wimbledon is de Henman Hill al omgedoopt tot Murray Mountain. „Ik speelde in 2005 in Basel voor het eerst tegen Murray. De pers maakte veel ophef voor de ontmoeting. Ik wilde graag winnen, maar verloor. Dat deed wel even pijn. Maar in het licht bezien van onze carrières was die partij van weinig belang. Ik probeer Murray zoveel mogelijk te helpen.”

Henman ondervond zelf hoe groot de invloed van de Britse sensatiepers kan zijn. „Van jongs af aan heb ik daar rekening mee leren houden. Ik heb altijd geprobeerd met journalisten samen te werken. Als je de strijd met ze aangaat is er maar één winnaar: de pers. Natuurlijk is het soms frustrerend. Eén keer heb ik kritiek geuit op de pers. Dat was in 2004. De vraag was of de media een negatieve invloed hadden op mijn spel. ‘Hoezo zou ik naar hen moeten luisteren? Hebben ze zelf ooit professioneel gespeeld? Dacht het niet’, luidde mijn antwoord. Die kritiek vonden ze niet leuk. Tien jaar lang was ik van alle kanten bekritiseerd, maar ik mocht niets zeggen. Murray is meer uitgesproken dan ik. Dus kan hij meer vuurwerk terug verwachten. Als hij daar mee om weet te gaan, is het geen probleem.”

Henman besloot door de opkomst van Murray terug te keren in de Davis-Cupploeg, die hij in 2004 na een nederlaag tegen Oostenrijk de rug toekeerde. Begin april treedt Engeland in Birmingham aan tegen Nederland. „Het voelde als een opluchting dat ik in 2005 geen Davis Cup hoefde te spelen. Vorig jaar begon ik toch weer te twijfelen. Met Murray erbij is de druk voor mij minder. Ik kijk uit naar het duel met Nederland, maar ik moet eerst de strijd tegen mijn lichaam winnen.”