Speculaties over grote fusie in de biersector

Anheuser-Busch en InBev zijn voor elkaar geschapen. Een fusie van de Amerikaanse bierbrouwer met zijn Europese concurrent, waarop gisteren werd gespeculeerd in de Braziliaanse pers, zou strategisch en financieel zeker zinvol zijn.

Wat zou dan een belemmering kunnen vormen? De zeggenschap misschien, want de familie Busch zou in een dergelijke combinatie de tweede viool spelen. Maar als de raad van commissarissen van Anheuser-Busch om zijn aandeelhouders geeft, zou dat een eventuele transactie niet in de weg mogen staan.

Kijk maar eens naar de strategische logica. InBev is een zwaargewicht in Europa en Latijns-Amerika, maar heeft moeite een positie op de Amerikaanse markt te veroveren. Met merken als Stella Artois en Brahma in zijn stal is het concern echter in opkomst in het marktsegment voor luxebieren, dat sneller groeit dan de sector voor doorsneepilsjes als Budweiser en Miller.

Budweiser domineert daarentegen de halve Amerikaanse markt, maar stelt internationaal gezien weinig voor. Het zou de hoger geprijsde bieren van InBev via zijn omvangrijke Amerikaanse netwerk kunnen distribueren. InBev zou aan de overzijde van de oceaan hetzelfde kunnen doen met Budweiser, dat daar – tot afgrijzen van sommige bierkenners – wordt beschouwd als een luxemerk.

In financieel opzicht zijn beide bedrijven vrijwel elkaars spiegelbeeld. De marktwaarde van Anheuser-Busch van 40 miljard dollar is slechts een fractie lager dan die van InBev. Beide bedrijven worden verhandeld tegen zo’n achttien maal de verwachte winst over 2007. Een fusie van gelijken zou de aandeelhouders van beide partijen in staat stellen in even grote mate profijt te trekken van de synergievoordelen. Op basis van de ervaringen van eerdere fusies in de biersector moeten zij op z’n minst kunnen genieten van 1 miljard dollar aan besparingen. Die vertegenwoordigen vandaag de dag voor beleggers een waarde van mogelijk zo’n 8 miljard dollar – ofwel meer dan 5 dollar per aandeel voor de aandeelhouders van Anheuser-Busch.

Voor de familie Busch – die ondanks het feit dat zij slechts een klein deel van de aandelen bezit, toch bij het concern aan de touwtjes trekt – is er wel een nadeel. Bij een fusie tegen de huidige koersen zou zij slechts 1,5 procent van het concern in handen krijgen, en de Belgische en Braziliaanse aandeelhouders van InBev een derde.

Dat betekent niet dat een transactie uitgesloten is. Bij zijn meest recente obligatie-uitgifte bezigde Anheuser-Busch geen taal die een mogelijke verandering in de zeggenschapsverhoudingen zou bemoeilijken. Meer dan de helft van recente hoogwaardige obligaties, die door niet-financiële bedrijven werden verkocht, kenden wél zulke voorbehouden.

Dit hoeft niet per se op een gewijzigde houding te duiden, maar het is wel één obstakel minder. De commissarissen van Anheuser-Busch zouden nalatig zijn als zij een transactie met InBev niet zouden onderzoeken.

Rob Cox

Overname Alcoa is niet bepaald een uitgemaakte zaak

Kan een van de grote, aan de Londense beurs genoteerde mijnbouwbedrijven Alcoa kopen? Zeker. De metaalkoorts is nog hoog genoeg om BHP Billiton, Rio Tinto of Xstrata in staat te stellen de 35 miljard dollar of daaromtrent binnen te halen, die ze nodig hebben voor een eventuele overname van de Amerikaanse aluminiumgigant. Hebben zij deze mogelijkheid overwogen? Vermoedelijk wel, hoewel geruchten van die strekking de stijging met 5 procent van de aandelenkoers van Alcoa deze week niet rechtvaardigen. Maar waarom zou een van deze concerns een bod willen uitbrengen?

Zowel BHP Billiton als Rio Tinto heeft aluminiumactiviteiten, die een bijdrage van ongeveer 10 procent aan de operationele winst leveren, dus zij kennen de bedrijfstak. Maar geen van beiden heeft veel enthousiasme aan de dag gelegd voor een grotere gevoeligheid voor de sector, en niet zonder reden.

Aluminium beschikt niet over de goede groeivooruitzichten van grondstoffen als koper, steenkool en ijzererts. De vraag naar die grondstoffen neemt snel toe, nu arme landen urbaniseren en industrialiseren. Aluminium is duurder, en daarom nauwer verbonden aan de tragere groei van de industriële productie in de rijke landen. Dat geldt zeker voor Alcoa, dat bijna 60 procent van zijn omzet in de Verenigde Staten behaalt. En als een kooldioxidebelasting ooit werkelijkheid wordt, zit aluminium in het verdomhoekje. Voor het smelten van aluminium is veel elektriciteit nodig, en bij het proces komen ook nog eens andere broeikasgassen vrij.

Bovendien komt betrekkelijk weinig van de toegevoegde waarde van de aluminiumproductie van gigantische mijnbouwprojecten, de voornaamste expertise van de in Londen genoteerde bedrijven. En overal in de wereld zijn grote hoeveelheden bauxiet, de grondstof voor aluminium, voorhanden. Wat voor de winstgevendheid van belang is, is het smelten, zodat de elektriciteitskosten en de gehanteerde technologie zwaarder wegen dan de logistiek en de projectplanning.

Deze verschillen worden weerspiegeld op de aandelenmarkt. De afgelopen vijf jaar is de koers van Alcoa feitelijk met 5 procent gedaald. De aluminiumprijs is flink gestegen, maar het concern is achterop geraakt door de toegenomen elektriciteitskosten en problemen in de eindfase van het productieproces, zoals het vinden van folie voor verpakkingen.

De veronderstelde kopers hebben veel beter gepresteerd: de koers van Rio Tinto, de minst fortuinlijke van het stel, is – in dollars uitgedrukt – met 165 procent gestegen. Het tij kan wellicht nog worden gekeerd bij Alcoa, dat zelfs is achtergebleven bij zijn Canadese concurrent Alcan. Maar de Londense bedrijven zijn misschien niet de eerst aangewezenen om dat voor elkaar te krijgen.

Edward Hadas