Slangenarend! Afrikaanse wielewaal! Vogelen in Gambia

In Gambia komen ongeveer evenveel vogelsoorten voor als in heel Europa. Ardine Nicolaï wil ze alle 560 zien

Met kijkers in de aanslag turen we naar het gebladerte. De zon gloeit. De geur van kruidig stro omringt me. Gids Modu wil me cisticola’s tonen, onbeduidend ogende zangvogeltjes, familie van onze graszanger. Het is tien uur. We struinen al uren door boomrijke gele velden, woodland heet die biotoop in vogelboeken. Modu tuit zijn lippen. Zijn fluiten begint klaaglijk en zwelt aan tot opgewonden kreten. Hij imiteert de roep van de pareluil (Glaucidium perlatum), een zilvergevlekt uiltje dat ik zelf pas later tegenkom. Aanvankelijk verscholen soezende zangvogels schieten nu onrustig achter hun blad vandaan. Modu brengt met zijn lied de boom tot leven. „Listen: the siffling cisticola!” Daar heb ik er een in ’t vizier. Nauwkeurig neem ik de details op.

Gambia, een landje dat drie keer in Nederland past, mag met zijn 560 waargenomen vogelsoorten (ongeveer evenveel als in heel Europa) de vogeltuin van Afrika heten. De lage prijs van vliegticket plus hotel naar deze vakantiebestemming was voor mij daarom een buitenkans. Al bij het landen manoeuvreerde het vliegtuig tussen zwermen kapgieren en zwarte wouwen door. Nog geen uur na aankomst leidde de vogelgids van het hotel mij in de hoteltuin langs schitterend blauwpaarse glansspreeuwen, behaarde roodzwarte baardvogels, honingzuigers en neushoornvogels en had ik drieëndertig nieuwe, prachtige soorten gezien.

‘Go to plate 39’. Modu kent de plaatnummers van het vogelboek uit zijn hoofd. Ik zoek zorgvuldig tussen dertien akelig gelijkende afbeeldingen op plaat 39 naar wat ik op de tak zie hippen. Daar heb ik hem: nummer zeven. Als dat tot mijn opluchting werkelijk de siffling cisticola blijkt (cisticola brachypterus) kan ik hem gerust als waarneming noteren.

Een goede vogelgids vergroot je waarnemingskansen met sprongen, maar er één vinden is geen sinecure. Mijn hotel koos ik omdat van daaruit een ervaren vogelgids excursies organiseert in de omgeving. Maar ik wil ook op pad met andere experts, met andere voorkeuren en kennis. Westerse belangstelling voor de vogelrijkdom heeft een serieuze beroepsgroep doen ontstaan. De twee gids-organisaties, de West African Bird Study Association (WABSA) en de Bird Guide Association (BGA), selecteren hun leden professioneel. Maar zo westers dat je je ergens kunt wenden tot een loket is de bedrijfstak niet; gidsen bieden zich op straat aan. Die praktijk wakkert de ondernemingslust van meer Gambianen aan. Zodra je met een kijker om je nek verschijnt word je belaagd door hordes bereidwillige vogelgidsen. De meesten kunnen helaas geen brubru van een leaflove onderscheiden.

Welgemoed ga ik over het tropische strand op weg naar Kotu waar zich, volgens mijn thuis vergaarde informatie, bij de brug over de Kotu-kreek vogelgidsen verzamelen die zijn aangesloten bij de WABSA. De Atlantische zeelucht prikt in mijn neus.

„Nee dank je, ik heb geen rondleiding nodig. Nou nee, ik zoek geen restaurant. Heus, ik hoef geen houtgesneden krokodil. Ja, ik vind Gambianen aardig, maar nee, ik wil geen gezelschap.” Wandelen is een intensieve bezigheid. Loslopende toeristen zonder interesse voor koopwaar, begeleiding of taxi zijn zonderling. Het gros van de Europese toeristen vindt hier zon, zee en luxe hotels met bingomiddagen. Voor een publiek van zoekende westerse vrouwen-op-leeftijd komen daar nog meegaande jongemannen bij. In dit industrie-arme land valt alleen aan toeristen goed te verdienen. Overal ben ik een potentiële klant.

Waar het water van de Kotu-kreek het strand doorkruist bind ik mijn sandalen onder en steek een markt over. Een vrouw in een geelgebloemde jurk met vrolijk gestrikte hoofddoek zit achter een wiebelig blad op schragen. Dun geschilde, witte sinaasappelen staan in piramides opgetast. Het is sinaasappelseizoen. Ik koop er een. Ze snijdt het kapje eraf om hem te kunnen leegzuigen. Kluivend loop ik het dorpje door, speurend naar een brug. Als die in zicht komt springen jongemannen met kijkers gretig onder een rieten afdak vandaan op mij af. Gewapend met een lijstje namen van internet en mijn intuïtie voer ik diverse gesprekjes over vogels en hun vindplaatsen. Karanta, een bedaarde, kennelijk deskundige gids is de gelukkige.

Op een harde bank van een busje met verroeste bodemplaat vertrek ik richting Tendaba, het oudste safarikamp van Gambia. Het werd dertig jaar geleden bij een vissersdorpje diep landinwaarts aan de rivier de Gambia gevestigd door een Zweedse kapitein die er brood in zag om toeristen varend door het binnenland te leiden. Inmiddels is de eigenaar Gambiaans en worden vanuit het kamp excursies georganiseerd naar het mangrove-gebied aan de overzijde. Tot tweehonderd kilometer stroomopwaarts ondervindt het bos invloed van getijden, wat een speciale vogelpopulatie aantrekt. De reis naar Tendaba is lang.

Uitgestrekte wildernis en lemen hutten hobbelen voorbij. Twee asfaltwegen doorkruisen Gambia: één zuidelijk, één noordelijk van de rivier. Onze zuidelijke is zo slecht dat de chauffeur doorgaans de berm verkiest boven het gehavende wegdek. Bij een waterput zitten vier vrouwen met gebruikte mayonaise-emmers te wachten terwijl een vijfde de hare vult. Slierten kinderen in schooluniform verdwijnen in de rode stofwolk die wij achterlaten. Stop! Een roofvogel met zwaaiende kuif!

We stappen uit voor de langkuifarend (lophaetus occipitalis) en lopen langs rijstveldjes, omheind tegen vrij grazend vee, naar ruiger achterland. Een felgele Afrikaanse wielewaal (oriolus auratus) schiet weg. Op een kale tak troont een gestreepte slangenarend (circaetus cinerascens). Boerenzwaluwen die uit Nederland de Sahara zijn overgevlogen scheren hoog over. Elke stap brengt nieuwe verrassingen. Ik heb in acht dagen al 180 soorten herkend. En het mooiste komt nog.

De ochtendschemering trekt weg. Het is nog aangenaam fris. Alleen het lichte klotsen van de roeispanen die de boot besturen weerklinkt in de mangrove. Ik houd mijn adem in. Karanta gebaart, dringend wijzend tussen het woud van luchtwortels. Daar moet ’ie zitten, de witrugnachtreiger (gorsachius leuconotus). Ik zie beweging. Ik ontwaar de donkere gestalte van een vogel, gelige poten die zich vastklampen aan vertikaal hangende wortels, indigo rug met, inderdaad, enkele witte dekveren waarvan ik zelfs de baarden kan onderscheiden. Op nog geen vijf meter afstand staat de schuwste reiger van Afrika! (de boeken reppen van enkele waarnemingen: „shy, secretive, strictly nocturnal”)

Hij draait zijn kop en ik kijk recht in zijn ontroerend grote oog, geaccentueerd door een witte omlijsting. Ik tintel van geluk.