Onze vaders verdienen een monument

De gastarbeiders van weleer liggen begraven in Marokko. Om te voorkomen dat zij in de vergetelheid raken moet voor hen een monument komen.

Asis Aynan

Student filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Redactielid van het opiniemagazine Contrast en columnist voor de Nederlandse Islamitische Omroep.

Begin jaren zeventig kocht mijn vader in Haarlem een pension. Hij was afkomstig uit de Rif en nog maar zes jaar in Nederland. Ergens eind jaren zestig kwam hij via het Franse Rijsel naar Nederland. In Rijsel werkte hij in de mijnen, hier stond hij aan de lopende band. Je zou kunnen zeggen dat hij een opwaartse carrière maakte, zijn werkplek verplaatste zich van onder naar boven de grond.

Waarom hij een pension kocht, weet ik niet. Ik denk dat het te maken had met het feit dat hij stapelgek werd van de pensioneigenaren bij wie hij inwoonde. Hij vertelde wel eens over die lui. Hij vond hen hard, onaardig en vaak racistisch.

Mijn vader nam het pension over van een Italiaan. Een kosthuis opzetten bleek een fikse onderneming. Een gastarbeider kreeg namelijk niet zomaar een lening. Hij moest bij maar liefst drie verschillende banken een bedrag lenen omdat geen enkele bank hem één groot bedrag ineens leende. Dat was op zijn minst frappant, want hij draaide al jaren een drieploegendienst. Maar het geleende geld was niet genoeg en daarom stopte hij al zijn spaarcenten in het huis.

In zijn kosthuis woonden uitsluitend Marokkaanse gastarbeiders. Heel soms een verdwaalde Spanjaard. Alle inwoners moesten zichzelf inschrijven in een groot bruin incheckboek. Als kind bladerde ik later regelmatig het boek door. Al die verschillende namen die bij ons hadden gewoond, dat verwonderde mij. Toen mijn vader de mogelijkheid kreeg om zijn vrouw en kinderen naar Nederland te halen, werd het gastarbeidershuis ons woonhuis.

Mijn vader ben ik dankbaar voor zijn economische vlucht naar Europa, maar deze reis heeft ook voor veel problemen gezorgd. Hij wilde dat zijn kinderen het beter zouden hebben dan hij en dat is hem gelukt. Wij kregen het beter, maar werden ook volledig anders dan hij. Wij werden niet alleen in financieel opzicht Europeanen, maar ook in de geest. Zijn ideeën waren niet de onze, en onze ideeën waren niet de zijne. Dat leidde tot een heleboel familiare en ideologische botsingen. Het is dus niet mis wat deze mannen hebben moeten inleveren voor een betere toekomst.

Veel mensen die in het grote bruine incheckboek stonden leven niet meer, ook mijn vader niet. Zij zijn in Marokko begraven, ook mijn vader. Het was zijn wens om in zijn geboorteland begraven te worden. Hier heb ik altijd respect voor gehad. We hebben nooit gesteggeld over zijn rustplaats. Ondanks dat hij meer tijd in Nederland heeft doorgebracht dan Marokko.

Toch betekent zijn keuze voor mij als tweedegeneratiekind een complicatie: ik mis een plek om naar toe te gaan. Voor veel tweedegeneratiekinderen is dit een probleem. Wanneer ik mijn vaders graf wil bezoeken, moet ik drieduizend kilometer reizen. Als ik bijvoorbeeld op een vrijdag wordt overmand door eenzaamheid en gemis en hem wil bezoeken, is dat onmogelijk. In gedachten kan ik hem ontmoeten, maar zijn graf op de eenzame vrijdag opzoeken is er niet bij.

Mijn vrees is dat door het ontbreken van een graf de oude gastarbeider verwijderd raakt van de tweede generatie. Om dit te voorkomen moet de herinnering aan de eerste generatie gastarbeiders levend gehouden worden en dat is onze taak. Zij mogen niet vergeten worden – niet door hun kinderen en ook niet door de Nederlandse samenleving.

Daarom moet er een gedenkteken komen voor de eerste generatie gastarbeiders. Zo krijgen onze vaders enerzijds het respect dat zij verdienen voor het gedane werk. Anderzijds krijgen de kinderen de mogelijkheid om op een symbolische manier hun vaders te gedenken. Zij hebben geholpen dit land met veel energie op te bouwen en zijn hier nooit voor bedankt. Een gedenkteken in de vorm van een mooi en sterk standbeeld zal hen erkennen, en zal de herinnering aan de harde werkers die zij waren, levend houden.