‘Noblesse oblige’ geldt ook voor huidige elite...

De elite van het ‘middenveld’ waarmee het nieuwe kabinet veel wil overleggen, lijkt zich niet te realiseren dat Nederland zich nog steeds in een postrevolutionaire fase bevindt, signaleert Thijs Jansen. Daarin kan ‘het gemene volk’ ogenschijnlijk uit het niets, als in de dagen van Fortuyn, een greep naar de macht doen. Maar dit volk blijkt over veel meer gezond verstand te beschikken dan wel eens wordt gedacht, meent Peter Cuyvers. De modale burger kan het heel goed redden zonder leiding, hoe eng de elite dat misschien ook vindt.

Thijs Jansen

Hoofdredacteur van Christen Democratische Verkenningen, het kwartaaltijdschrift van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.

Het nieuwe kabinet wil ‘investeren’ in overleg met maatschappelijke organisaties. Dat lijkt op een terugkeer naar de tijden van weleer. Echter, die organisaties moeten goed beseffen dat de postrevolutionaire fase waarin Nederland zich bevindt, niet voorbij is. En dat het dus nog steeds mogelijk is dat een buitenstaander, à la wijlen Pim Fortuyn, opnieuw de steun van een groot deel van het volk krijgt en een greep naar de macht kan doen. Bij de afgelopen verkiezingen werd dat signaal opnieuw afgegeven door de winst van Geert Wilders en Jan Marijnissen, die beiden een netwerk hebben dat beslist niet samenvalt met de Top 200- elite, die een symbiotische relatie heeft met de Haagse politiek. Uit de behoefte aan sterk leiderschap die uit enquêtes blijkt, valt een onverminderd anti-elitaire onderstroom te herkennen.

De komeetachtige opkomst van Fortuyn doordrong de politieke hoofdrolspelers ervan dat het volk – van het ene op het andere moment – zijn tanden kan laten zien en de in zichzelf gekeerde elite en de bestaande machtsverhoudingen kan geselen.

Het lijkt niet te veel gezegd dat het postrevolutionair bewustzijn een belangrijke rol heeft gespeeld bij het slagen van de kabinetsformatie. De onverminderd groter wordende anti-elitaire druk van rechts en links wordt gekanaliseerd door een kabinet dat een sociaal-conservatieve middenkoers gaat varen. De Haagse politiek is al jaren gedwongen op deze manier te schipperen. Dat houdt haar scherp. Het is echter de vraag of bij de elite van het ‘middenveld’, waarmee het kabinet naar eigen zeggen veel wil overleggen, dat bewustzijn in dezelfde mate aanwezig is. Van het antwoord op die vraag zal het succes van dit kabinet voor een belangrijk deel afhangen. Daarom doet het kabinet er goed aan de elite de leuze ‘noblesse oblige’ voor ogen te houden.

Deze leuze heeft een ‘rauwe’ voorgeschiedenis. In de eerste helft van de negentiende eeuw wilde men kost wat kost voorkomen dat de Franse samenleving opnieuw ten prooi zou vallen aan bloedige volksopstanden. Men was daarom op zoek naar een alternatief voor de rauwe volkssoevereiniteit, en dat was een democratisch gelegitimeerde elite om het land te besturen. Men was zich er na de Franse Revolutie van bewust dat privileges en geboorte onvoldoende waren om tot de elite te mogen behoren. Men zocht daarom een compromis tussen de noodzaak van leidinggeven door een voorbeeldige elite en de noodzaak van een democratische legitimatie daarvan – de uitdrukking ‘noblesse oblige’ was geboren.

Als bron wordt wel verwezen naar het werk van graaf Pierre Marc Gaston de Lévis (1764-1830). Deze zou de leuze voor het eerst gebruikt hebben in zijn Maximes et réflexions sur différents sujets (Aforismen en gedachten over verschillende onderwerpen) uit 1808. Hij schreef boeken over politieke economie en literaire teksten, en werd in 1816 benoemd tot lid van de Académie Française.

Misschien is het enigszins verbazingwekkend dat deze leuze uitgerekend stamt uit het Europese land waar de standenmaatschappij, en dus ook de adel, tijdens de Franse Revolutie zo bruusk aan de kant was geschoven. Toch is het bij nader inzien niet zo vreemd want de geschiedenis kent weliswaar scherpe breuken, maar zelden is sprake van het totaal in één keer verdwijnen van machtsposities en instituties.

Zelfs niet in Frankrijk. De adel en de monarchie waren niet zomaar verslagen. Toen de Franse bevolking wel haar bekomst had van de sterke man Napoleon Bonaparte en deze aan het eind van zijn Latijn was, kwam in de eerste helft van de negentiende eeuw de monarchie zelfs terug. Van 1814 – met een kleine onderbreking – tot 1848 kregen koningen het in Frankrijk weer voor het zeggen. In die historische context van het zoeken naar een nieuw evenwicht is de leuze ‘noblesse oblige’ gemunt.

Even los van de precieze tekstuele context waarin de Lévis het adagium gebruikte, staat dus wel vast dat de historische context er een was waarin Frankrijk steeds openlijker streefde naar de terugkeer van de monarchie in een postrevolutionair Frankrijk. ‘Noblesse oblige’ vroeg van de oude elite om zich waar te maken in de nieuwe context. De legitimatie was niet meer vanzelfsprekend, men moest zich ervoor inzetten.

Wat is de les van deze leus voor de elite anno 2007? In elk geval dient het besef aanwezig te zijn dat zegeningen als rijkdom of macht niet uitsluitend van jezelf afhankelijk zijn, maar ten minste voor een deel van toeval, geluk, genade en – heel in het bijzonder – van anderen. Het is het besef van schatplichtig te zijn aan een groter geheel.

Daaruit komt een zekere dienstbaarheid en deemoedigheid voort. Dat betekent dat bestuurders bijvoorbeeld zich meer moeten gaan realiseren dat ‘hun’ prestaties in belangrijke mate te danken zijn aan hun medewerkers. Laten werkgevers het thema ‘beroepseer’ de komende jaren eens serieus gaan nemen.

Uit een recent onderzoek van de econoom Kleinknecht blijkt dat in Nederland het aantal managers de afgelopen 35 jaar is verdriedubbeld tot 6 procent van de beroepsbevolking. Daardoor voelen werknemers in allerlei sectoren zich onteigend en door de groeiende inkomensongelijkheid niet rechtvaardig behandeld. Dat dit op de werkvloer leeft, blijkt uit de massale ondertekening van de mission statement op de site van de stichting beroepseer (www.beroepseer.nl).

Wel is recent een goed voorbeeld gegeven door de woningbouwcorporaties die grote interne weerstanden hebben overwonnen om veel geld te investeren in de revitalisering van achterstandswijken. Nadat minister Winsemius de alarmklok had geluid en een politieke greep in de grote reserves van de woningbouwcorporaties dreigde, bleek maatschappelijk ondernemerschap opeens heel goed mogelijk.

Van besturen van maatschappelijke organisaties, maar ook van private ondernemingen mag verwacht worden dat zij voortdurend werken aan hun maatschappelijke legitimatie. Sleutelwoorden zijn integriteit, maatschappelijke dienstbaarheid en transparantie. In dat licht zou het hen ook sieren als zij het debat aangaan met de critici die zij ervaren als populistisch.

Zo zouden hoger onderwijsinstellingen de kritiek van bijvoorbeeld Beter Onderwijs Nederland serieus moeten nemen. Niet klagen over polarisatie en de kwaliteit van het debat, maar de nek uitsteken, het gesprek aangaan en zoeken naar oplossingen.

Gebeurt dit niet, dan zullen de anti-elitaire stromingen aan beide kanten van het politieke spectrum krachtiger worden en zal de instabiliteit van Nederland voortduren.