‘Marteldossier’ nog niet dicht voor Kamp

Volgens minister Kamp is er niets strafbaars gebeurd bij ondervragingen in Irak. Maar de marechaussee meldde wel degelijk misstanden, zo blijkt.

Nu hij terug is van zijn laatste ministeriële reis naar Afghanistan, zit het er op. Binnenkort zal minister Van Defensie Henk Kamp zijn statige werkkamer aan het Plein verruilen voor een krappe werkplek op het Binnenhof. Hij is weer Kamerlid. Kamp, populair onder de troepen, zal met voldoening terugkijken op zijn ministerschap. Maar één zaak, zo schrijft hij op zijn weblog, steekt „nog als een graat” in zijn keel.

‘Nederlanders martelden Irakezen’, kopte de Volkskrant op 17 november vorig jaar. Medewerkers van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zouden Iraakse gedetineerden tijdens verhoren hebben mishandeld. Een commissie onder leiding van oud-Kamerlid Van den Berg (SGP) en de Commissie betreffende Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten onderzoeken de zaak.

Sinds deze week loopt er nóg een onderzoek: van de rijksrecherche. Afgelopen maandag deed Kamp aangifte van het lekken van vertrouwelijke informatie door (ex-)Defensiemedewerkers. Sinds de publicatie in de Volkskrant heeft hij steeds een offensieve strategie gevoerd. Niet zijn ministerie van Defensie, maar de Vólkskrant zat fout, aldus Kamp. De krant verzuimde te melden dat de marechaussee al in 2003 een onderzoek had ingesteld naar de zaak. De conclusie, aldus Kamp: van strafbare feiten was geen sprake.

Maar is dat wel zo? NRC Handelsblad vroeg om de briefwisseling tussen Defensie en het Openbaar Ministerie over de kwestie. Daarin staat nergens dat er ‘geen strafbare feiten’ zijn vastgesteld. Sterker nog: de marechaussee rapporteerde dat sprake was van „dwang” en dat het verhoor van MIVD’ers als „bedreigend” kon worden opgevat – maar adviseerde desondanks de zaak niet verder te onderzoeken.

Terug naar wat er aan het onderzoek van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) voorafging. Op 22 oktober 2003 wordt de Nederlandse commandant van de Nederlandse troepen in Zuid-Irak, overste Dick Swijgman, voor het eerst op de hoogte gesteld van een „gerucht” over mishandeling van Iraakse gevangenen. Nederland is in Irak geen ‘bezettende macht’, en moet zogeheten detainees daarom uitleveren aan de Britten. In afwachting daarvan proberen medewerkers van de MIVD tijdens „gesprekken” met de Irakezen informatie los te krijgen.

De MIVD’ers zijn daarbij over de schreef gegaan, zo hoort Swijgman. „Het gerucht bestond eruit”, zo rapporteert hij aan Den Haag, „dat de ondervragers in As-Samawah de detainees onjuist behandelden door ‘muziek’ te laten horen in de cellen, de detainees met water wakker te houden tijdens het horen en dat de detainees zakken over hun hoofd kregen.”

Op 27 oktober maakt Swijgman schriftelijk melding van het incident. Vier dagen later, op 31 oktober, doet Chef Defensiestaf Luuk Kroon verslag aan minister Kamp. „De mogelijke misstanden”, zo schrijft Nederlands hoogste militair, zullen worden gemeld bij de marechaussee in Irak „die mogelijk in overleg met het openbaar ministerie mogelijk tot een strafrechtelijk onderzoek kan besluiten”.

Op 5 december 2003 stuurt de marechaussee een zogeheten ‘proces-verbaal van bevindingen’ naar officier van justitie Willy Weerkamp. Dat stuk is niet openbaar gemaakt. Wat wél is vrijgegeven, is het zogeheten ‘afdoeningsadvies’ dat de marechaussee op 17 februari 2004 naar Arnhem heeft gestuurd.

Uit het advies blijkt dat de militaire politie in Irak op onregelmatigheden is gestuit. „Uit de verklaringen van getuigen”, zo schrijft de marechaussee aan Weerkamp, „blijkt dat de intensiteit van de verhoren, die zich soms uitstrekten over meerdere dagdelen, in combinatie met het gebruik van white noise (zoals harde muziek, red. ) wel hebben geleid tot het conditioneren van detainees”. Met andere woorden: de gevangenen zijn afgemat en onder druk gezet om informatie los te krijgen.

Is dit marteling? Het advies van de marechaussee gaat er niet op in. De Kmar meldt slechts dat het verhoren van verdachten niet is toegestaan (Nederland was immers geen bezettende macht in Irak). Slechts het voeren van ‘gesprekken’, „zonder enige dwang of dreiging” was toegestaan. Die strikte regels zijn overtreden. „Tijdens een aantal gesprekken is er (…) sprake geweest van enige vormen van dwang”, staat in het advies. De Kmar „acht het zeer denkbaar (...) dat de gebezigde methodes als dreigend zijn ervaren”.

De marechaussee constateert dus dat de MIVD te ver is gegaan. Toch adviseert de Kmar „niet tot een strafrechtelijk onderzoek over te gaan”. De „lokale situatie” in Irak is ingewikkeld. Bovendien is de „juridische regelgeving hieromtrent” gecompliceerd. Officier van justitie Weerkamp is het daar mee eens. Het strafrechtelijk onderzoek komt er niet.

Twee deskundigen op het gebied van mensenrechten, hoogleraar Willem van Genugten en Theo van Boven, in het verleden ‘speciaal rapporteur van martelingen voor de VN’, noemen dat „merkwaardig”. Ze trekken beiden dezelfde conclusie: afgaande op het de rapportage van de Kmar, hebben de MIVD’ers in Irak zich schuldig gemaakt aan strafbare feiten – namelijk schending van de internationale mensenrechtenverdragen, zoals het VN-folterverdrag. „Ik wil me niet begeven in het grijze gebied van de vraag of dit nu marteling is of niet”, zegt Van Boven. „Maar dit is op zijn minst wat wordt verstaan onder wrede en onmenselijke behandeling.”

Van Genugten was de hoogleraar op wiens gezag de Volkskrant berichtte dat er sprake was van marteling. „Wat ik nu onder ogen heb gekregen, bevestigt dat beeld. Het gaat er nu om dat het hele feitencomplex op tafel komt.”

Afdoeningsadviezen marechaussee op www.nrc.nl/binnenland