Kindergeluk

1382

Kunnen grote mensen het geluk van kinderen meten? Is het geluk van een kind in vergelijking tot dat van een volwassene niet volstrekt anders? Ik kijk naar buiten, ik zie een jongen van een jaar of zes. Hij maakt hard lopend een paar zigzagbewegingen, schakelt over op huppelen en voor hij uit het zicht is verdwenen is het hem te binnen geschoten dat hij een vliegtuig is. Hij strekt zijn armen uit, vliegt de hoek om, is verdwenen.

Er naderen vier meisjes van een jaar of tien, ze hebben de koppen bij elkaar gestoken, het is een intens gesprek. Opeens moeten ze verschrikkelijk hard lachen; gieren heet het. Ze zetten het op een rennen.

Intussen zie ik een jongen van een jaar of veertien op de fiets. Hij laat de fiets steigeren, dat wil zeggen rijdt een paar meter alleen op het achterwiel. Dat is de laatste jaren in de mode. Als je niet steigerend kunt fietsen, kun je helemaal niet fietsen. Een vierjarige, aan de hand van zijn moeder, probeert bij iedere stap één tegel over te slaan. Als hij misstapt, is hij ongelukkig.

Unicef, het United Nations Children’s Emergency Fund, heeft het geluk van kinderen in de 21 welvarende westelijke landen gemeten. De Nederlandse kinderen zijn het gelukkigst, dan komen de Zweedse en de Deense, en onderaan staan de Hongaarse, Amerikaanse en Britse kinderen. Hoe is dat mogelijk? Daarvoor moet je eerst weten waardoor het geluk van een kind wordt bepaald en wat dit geluk ongeveer inhoudt. Dit laatste zullen de grote mensen nooit absoluut zeker kunnen weten omdat er nu eenmaal een wezenlijk verschil is tussen de kinderwereld en die van de volwassenen. Als je een jaar of dertien tot zestien bent, verlaat je het kindergeluk. Of andersom. Volgens Goethe kan een groot mens daarna alleen nog gelukkig zijn als hij/zij „etwas vom Kinde gerettet hat”, Ik ben het met de grote Duitser eens, maar hoe leg je dit aan?

Als man van vijftig, zestig, zeventig je fiets laten steigeren? Even doen alsof je een vliegtuig bent? Zoals Kees de jongen de zwembadpas erin zetten? Je kunt het eens proberen op een vroege zondagochtend maar het is onbegonnen werk. Voor het raam van een speelgoedwinkel gaan staan en je afvragen wat je voor je verjaardag zou willen hebben? Ook niet aan beginnen. Ik bekijk iedere nieuwe aflevering van de catalogus van InterToys. Het speelgoed van deze generatie lijkt in de verste verte niet meer op de dingen waarmee je zelf uren op de grond zat.

Strikt persoonlijk gesproken zou ik trouwens niet weten wat ik met al die guitig kijkende beesten en de pastelkleurige plastic voer- en vliegtuigjes aan moest. Gewone blokkendozen bestaan niet meer. Ik heb nog wel leuk met het lego van mijn kinderen gespeeld, maar dit soort constructiespul is ook allang onherkenbaar veranderd. Er is een generatiekloof die nog eens wordt versterkt door de kloof die ontstaat door de voortdurende vernieuwing. Net als de grote mensen worden de kinderen iedere dag door de vernieuwers op de hielen gezeten.

Toen ik klein was, begon soms de knikkertijd. Plotseling, zonder dat iemand het teken had gegeven, hadden alle kinderen een zak met knikkers bij zich. Een paar weken werd dit spel overal gespeeld, en dan was de knikkertijd van de ene dag op de andere weer voorbij. Gehoepeld werd er in mijn tijd al vrijwel niet meer. Krijgertje spelen deed je nog op het schoolplein, verstoppertje een hoogst enkele keer in de buurt.

Ik geloof dat de kinderen van nu niet eens meer weten wat hoepelen is.

Heeft Unicef wel eens onderzocht hoe de computer in het kinderleven heeft ingegrepen? Ik heb het pas goed beseft toen ik een radiospotje hoorde waarin een meisjesstem zegt: „Ik ben Monique en ik ben twaalf jaar en ik hou van schoolfeestjes en van chatten.” Dan komt er een zware mannenstem: „Ik ben Ellen, en ik hou van leuk dansen en van chatten.” Pedofiel! En in een ander spotje zegt een kinderstem: „Ik zie ik zie wat jij niet ziet, en het is rood. Nee, het is niet die bal. Nee, ook niet mijn truitje. Het zijn de rode striemen op mijn rug, van toen mijn vader zijn afstandsbediening niet kon vinden.” Kindermishandeling. In ons eigen land, zegt een vrouwenstem.

Dat is dus de harde kant van het Nederlandse kinderleven. Ik onderschat het niet. Maar toch wonen hier de gelukkigste kinderen van het hele Westen. Hoe komt dat? Misschien ook wel door hun ouders die een jaar of 25 tot 30 of 35 geleden kind zijn geweest. Die zijn dus opgegroeid tussen ongeveer het einde van de jaren zeventig en twintig jaar later. Dat waren relatief vreedzame tijden. De Koude Oorlog liep op zijn eind, van terrorisme had niemand gehoord. De pedofielen hadden zich nog niet in een partij georganiseerd. Er was nog geen homoboot waarop kleine homootjes bewust konden worden. Unicef was nog niet op het idee gekomen, het kindergeluk te meten.

Als alles goed blijft gaan, worden de kinderen van nu straks ouders. Er is op school geen vak ‘geluksbevordering’ en laten we hopen dat het er ook niet komt. Als je boft krijg je het geluk vanzelf mee, thuis, op straat, op school. Het valt niet te organiseren. Misschien zijn de ouders van nu toen de gelukkigste kinderen geweest, maar dat zullen we nooit weten want het werd nog niet gemeten.