Ik werd genoemd

Premier Balkenende presenteert donderdag samen met de koningin zijn nieuwe kabinet op het bordes van paleis Huis ten Bosch. Het gezelschap van 27 bewindslieden had er heel anders kunnen uitzien.

Foto's Roel Rozenburg, Peter Hilz, Hilz & Verhoeff, Hollandse Hoogte, Dirk Hol, Flip Franssen. Fotomontage Wim Lintsen DENHAAG:27MEI2003 Kabinet Balkenende II. FOTO ROEL ROZENBURG Rozenburg, Roel

Hij was al bijna zeker staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. Benne van Popta, bestuurder van MKB Nederland en lid van de ChristenUnie, dook tot zijn verbazing op in het Haagse geruchtencircuit. Op 31 januari noemde het Nederlands Dagblad hem „kansrijke outsider” voor een post in het kabinet – als het geen ministerspost wordt, dan toch wel staatssecretaris. Bron: ‘een anonieme bron’.

RTL Nieuws neemt het bericht over, de website nu.nl meldt op 13 februari dat de benoeming rond is, een dag later volgen de ochtendbladen. Diezelfde dag nog blijkt dat niet Van Popta, maar Kamerlid Tineke Huizinga-Heringa staatssecretaris wordt. ChristenUnie-leider André Rouvoet wilde heel graag een vrouw namens de ChristenUnie in het kabinet. Van Popta: „Dat onderga je. Het wordt alleen pas lastig als de media gaan melden dat je benoeming een voldongen feit is zonder dat bij de betrokkene te controleren.”

Van Popta was heel even een speler in het geruchtencircuit dat elke keer ontstaat bij kabinetsformaties. Zodra onderhandelaars van partijen aanschuiven voor de eerste informatieronde, begint het noemen van namen. Dat gaat ongeveer zo: Kamerleden, ambtenaren of journalisten nemen met elkaar de namen door die zij hebben gehoord. Namen komen op, en verdwijnen weer. Die van Benne van Popta circuleerde een paar weken, nadat hij een paar keer gezien werd bij de kamer van Rouvoet. Van Popta: „Hoewel ik in de zomer tegen André Rouvoet had gezegd dat ik niet beschikbaar was.”

Tijdens de afgelopen kabinetsformatie verspreidde het lobby-bureau Meines & Partners regelmatig een ‘geruchtenkabinet’, gebaseerd op Haagse roddels. Zo staan op 24 januari bij de post van minister van Economische Zaken vier namen: Joop Wijn (CDA), Trude Maas en Marjet van Zuijlen (PvdA) en Arie Slob (ChristenUnie). Genoemd als staatssecretaris: spindoctor Jack de Vries van formateur Jan Peter Balkenende (CDA). Geen van deze vijf komt in het kabinet.

Deze galerij van gepasseerden is groter. Naast Trude Maas – senator voor de PvdA en de vaakst genoemde kandidaat-minister – keert Karien van Gennip, CDA’er op Economische Zaken, tegen de verwachting in niet terug. Het al bijna zekere ministerschap van Paul Depla, wethouder in Nijmegen voor de PvdA en co-auteur van het verkiezingsprogramma, gaat ook niet door.

Paul Depla baalt er „stevig” van. Hij stond tot vorige week donderdag op de groslijst van PvdA-leider Wouter Bos. „Ik zat in het circuit”, zegt hij. Depla werd die donderdag nog gebeld door een secretaresse van de PvdA, om zich „beschikbaar te houden”. „Ze vroegen al mijn gegevens, wilden weten wat ik van het regeerakkoord vond. Het was de voorwas, zoals dat heet.” De Inlichtingen- en Veiligheidsdienst AIVD screent kandidaat-bewindslieden op een strafblad of andere, mogelijk belastende feiten uit hun verleden. Depla kreeg nog een mailtje om „contact te houden”.

Op maandag zou hij snel iets horen. Toen hij op dinsdag nog niets had vernomen van Bos, stuurde hij een sms. „Ik vroeg: ‘Lig ik eruit ofzo?’” ’s Avonds belde Bos. Het ging niet door. „Ik heb wel even gevloekt”, zegt hij. „Maar ik dacht: het leven gaat door.”

Depla krijgt de indruk dat de selectie van bewindspersonen „een loterij is geweest”. „Die indruk krijg ik als ik zie wie het wél geworden zijn. Het is heel schimmig gegaan. Vier jaar geleden, toen we ook een tijdje meededen in de formatie, was het helderder of je eruit lag of niet. Allerlei mensen stonden nu op de lijst, terwijl er geen keuzes gemaakt leken te worden.”

CDA-leider Jan Peter Balkenende selecteerde, anders dan in 2002, partijgenoten met een lange staat van dienst. Eerder koos Balkenende voor inhoudelijke specialisten, nu was de teamgeest van belang. Zijn trouwe bondgenoot Maxime Verhagen (lange tijd fractievoorzitter in de Tweede Kamer) mag minister van Buitenlandse Zaken worden. Vice-fractievoorzitter Gerda Verburg krijgt Landbouw. Zijn vriend en geestverwant Ab Klink wordt minister van Volksgezondheid. Piet Hein Donner en Ernst Hirsch Ballin, dragers van het CDA-gedachtegoed, keren beide terug.

Bos zette vooral in op gezaghebbende namen van buiten Den Haag. Ook hij wilde een stabiele ploeg, reden waarom hij bijvoorbeeld niet koos voor oud-partijvoorzitter Felix Rottenberg, een naam die hardnekkig rondzong voor het staatssecretariaat Cultuur. De flamboyante maar ook grillige Rottenberg zou een risico vormen voor de interne rust in de PvdA-ministersploeg. Getrouwen als geneticus en columnist Ronald Plasterk (die meeschreef aan het verkiezingsprogramma) en Ahmed Aboutaleb (de Amsterdamse wethouder van Sociale Zaken) kregen wel een post.

CDA-ministers Ben Bot (Buitenlandse Zaken) en Agnes van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking) kunnen de verhuisdozen inpakken. Van Ardenne heeft aan naaste medewerkers toevertrouwd dat ze in het nieuwe kabinet graag minister van Defensie had willen worden, maar deze post gaat naar de ChristenUnie. Van Ardenne wil niet reageren op haar nakende vertrek. Ze heeft het volgens haar woordvoerder „te druk met lopende zaken en de afronding van haar werkzaamheden”.

Ook Ben Bot hoopte op een voorzetting van zijn ministerschap. Naar eigen zeggen had Bot goede kansen om te blijven. Dat had gekund als zijn opvolger – CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen – bijvoorbeeld minister van Economische Zaken was geworden. Maar met hulp van Balkenende verwezenlijkte Verhagen „mijn jongensdroom”. Zijn benoeming is een beloning voor vier tropenjaren als fractievoorzitter. Op zijn laatste reis als minister van Buitenlandse Zaken, wil Bot weinig kwijt over zijn vertrek. „Mijn grote ervaring en enorme netwerk hadden doorgaan gerechtvaardigd”, zegt hij.

Een ander verhaal is het plotse vertrek van ‘CDA-wonderboy’ Joop Wijn. Hij maakte sinds hij in 1998 toetrad tot de Tweede Kamer bliksemsnel carrière in de partij en was in het kabinet-Balkenende III minister van Economische Zaken. De partijtop wilde hem graag als fractievoorzitter van de nieuwe fractie, maar dat weigerde Wijn. Hij wilde op Economische Zaken blijven, maar Balkenende liet daar niets over los, zoals hij de hele formatie uitermate terughoudend was in het spel om de bewindslieden. Wijn wachtte zijn finale gesprek met Balkenende daarover niet af en kondigde zelf op 5 februari aan de politiek te verlaten. Ingewijden laten doorschemeren dat Wijn nog wel degelijk kans had gemaakt op de post Economische Zaken. Dankzij het vertrek van Wijn kon het CDA het ‘probleem’ Maria van der Hoeven (minister van Onderwijs) oplossen: zij wilde per se blijven. Anders dan Bot kreeg zij haar zin, omdat ze vrouw en katholiek is.

Een draaiboek voor het invullen van de ministers- en staatssecretarisposten bestaat niet. Altijd komt het neer op improviseren. „In feite weet op het laatste moment niemand echt hoe het zit, op de politiek leider na”, zegt VVD’er Frank de Grave, van 1998 tot 2002 minister van Defensie. „Die moet op het laatste moment manoeuvreren in een complex spel. Zitten er genoeg vrouwen in het kabinet, is de zware financieel-economische ‘vierhoek’ goed ingevuld met stevige kandidaten? Dan valt er op het laatste moment nog wel eens een naam af.”

Al in 1994 werd Frank de Grave op het Binnenhof genoemd als minister voor het eerste paarse kabinet. De Grave had achter de schermen gewerkt aan de samenwerking tussen PvdA, VVD en D66, en een beloning voor dat werk lag volgens journalisten en partijgenoten voor de hand. „Die periode is slopend”, zegt hij. „Mensen gaan je bellen en feliciteren, op je werk ontstaat er discussie of je wel zomaar weg kan. Bovendien: ik dacht zelf ook dat ik een kans maakte, dus ik maakte spannende dagen door.”

De Grave bleef in de vakantie in Nederland, zijn secretaresse wist steeds waar hij was. Totdat toenmalig partijleider Frits Bolkestein belde. „Hij zei dat de keuze voor de minister van Financiën op Gerrit Zalm was gevallen en dat alle andere posten ook al bezet waren. Ik was bovendien nog te hard nodig als wethouder in Amsterdam. Ik heb die avond wel een biertje te veel gedronken.”

Twee jaar later werd De Grave alsnog staatssecretaris voor Sociale Zaken. In 1998 werd hij opnieuw genoemd, nu voor de posten Onderwijs en VROM. „Bij mij gold dat ik volgens Bolkestein ‘multi-inzetbaar’ was. Dat is vaak een nadeel. Vergelijk het maar met het voetbal: een goede rechtsback wordt wel opgesteld, maar een multifunctionele speler valt nogal eens buiten de boot.” De Grave werd uiteindelijk minister van Defensie. Dat was de laatste vacante positie. „Goh”, was mijn eerste reactie.

Hoewel het eindspel van de formatie chaotisch is geweest, hadden alle drie de coalitiepartijen zich wel degelijk grondig voorbereid op het verdelen van de posten en het selecteren van de bewindslieden. Het CDA heeft de scouting van kandidaat-ministers deze keer anders aangepakt dan in eerdere gevallen. Dat zegt tenminste partijvoorzitter Marja van Bijsterveldt deze week in De Groene Amsterdammer. De partij is de laatste jaren, geholpen door een echte scoutingscommissie, op zoek gegaan naar „diamantjes” die „we zachtjes in beeld laten komen”. Van Bijsterveldt heeft op die manier „een aantal vrouwen in beeld gebracht” bij Balkenende. Het resultaat is dat niet de CDA-diamantjes een plek in het kabinet krijgen, maar de ijverige partijvoorzitter zelf. Zij wordt staatssecretaris van Onderwijs. Als het er op aan komt, spelen databanken en commissies een ondergeschikte rol in het CDA. Uiteindelijk beslist de partijleider.

„Een zittende partijvoorzitter mag zich zelf nooit en te nimmer kandidaat stellen voor een politieke functie als bewindspersoon of lijsttrekker, zo weet ik uit eigen ervaring”, schrijft oud-CDA-voorzitter Marnix van Rij op de site van NRC Handelsblad (www.nrc.nl/kabinetsformatie). „Dat is niet zuiver, zoals Marja van Bijsterveldt in het jubileumboek van het CDA (2005) opmerkte over de leiderschapscrisis in het CDA in september 2001.” Het doet volgens hem „wat ironisch” aan dat diezelfde partijvoorzitter nu staatssecretaris wordt. Van Rij: „Zij had naar mijn mening nooit partij mogen zijn in deze ronde.”

Balkenende en Verhagen oordeelden anders. Zij hebben de afgelopen jaren al goed om zich heen gekeken op zoek naar geschikte mensen. Aan de hand van functioneringsgesprekken met de zittende bewindslieden probeerden zij erachter te komen wie er wilden blijven, wie zij wilden dat er bleven. Toen de formatie begin december op gang kwam, lag al een lijst met namen klaar. De meeste mensen op die lijst wisten dat ze er op stonden, omdat ze in de naaste omgeving van de partijleider zitten: Donner, Hirsch Ballin, Verburg, Klink, Van Bijsterveldt, Eurlings.

Alleen burgemeester Ank Bijleveld werd echt verrast door Balkenendes telefoontje op dinsdag 13 februari: het staatssecretariaat Binnenlandse Zaken was pas op het allerlaatste moment aan het CDA toebedeeld.

Bij de PvdA verzamelde Wouter Bos door de jaren heen een lijst met 130 potentiële bewindspersonen. Toen in december de formatie begon kwam daar een lijst van 36 namen van mensen van buiten de fractie bij, opgesteld door het partijbestuur onder leiding van voorzitter Michiel van Hulten, en Marie-Louise van Kleef, lid van het bestuur en belast met scouting, opleiding en bestuurlijke netwerken. Van Hulten: „Alle mensen die van buiten de fractie benoemd zijn in het huidige kabinet stonden op ons lijstje.”

Bos had sommigen van die kandidaten al uitgenodigd voor een gesprek of ingezet in de vele commissies die de PvdA de afgelopen jaren heeft ingesteld. Maar de meesten hoorden pas in de loop van de formatie dat ze kandidaat waren. Van Hulten: „Vier jaar geleden, toen Wouter ook met Balkenende probeerde tot een kabinet te komen, kreeg ik een sms-je van hem. ‘Ben je beschikbaar?’ Ik heb even nagedacht en toen ‘ja’ terug gestuurd.” Het is er niet van gekomen, omdat dat kabinet niet tot stand kwam.

Twee weken geleden hebben Van Hulten en Bos de departementen van kandidaten voorzien. Toen was nog niet zeker welke posten de PvdA zou krijgen. Afgelopen maandag, toen dat duidelijk werd, namen Van Hulten en Bos de definitieve lijsten door. Van Hulten realiseert zich dat zijn rol hierin niet zo vanzelfsprekend is als het lijkt: „Ik weet van Felix (Rottenberg, red.) dat hij toen hij partijvoorzitter was op veel grotere afstand stond dan ik nu.”

Afgelopen maandagmiddag, toen Bos, Verhagen en Rouvoet de namen definitief bij de posten voegden, moesten de kandidaten allemaal nog gebeld worden. Eerst de ministers, daarna de staatssecretarissen. „Wouter heeft ze bijna allemaal zelf gebeld, ik een persoon”, zegt partijvoorzitter Van Hulten.

Bos was degene die Ahmed Aboutaleb, wethouder in Amsterdam, heeft gebeld. „Wat een mens, wat een sociaal-democraat, wat een wethouder”, zei Bos vorig jaar op het partijcongres van de PvdA. In zijn boek Wat Wouter wil was Aboutaleb als enige door Bos genoemd als mogelijke minister in een volgend kabinet – het liefst van Onderwijs of Sociale Zaken. Aboutaleb stond al die tijd op het lijstje van Bos, maar werd geen minister. Als de PvdA de minister van Sociale Zaken had mogen leveren, was Aboutaleb dat geworden, zeggen PvdA’ers die bij de onderhandelingen betrokken waren. Maar het CDA kreeg die post, Piet Hein Donner werd minister en Aboutaleb staatssecretaris van Sociale Zaken.

Het noemen van namen kan meer zijn dan alleen tijdverdrijf. Het kan ook politieke of beleidsmatige redenen hebben. Ambtenaren brachten de afgelopen kabinetsformatie een paar keer een naam bij journalisten onder de aandacht, of sloten een andere naam juist uit. Ambtenaren van het ministerie van Justitie noemden de zittende minister Ernst Hirsch Ballin (CDA) en Tweede-Kamerlid Aleid Wolfsen (PvdA) tegenover journalisten een ‘droomkoppel’. Twee juristen: een voormalig hoogleraar en een oud-rechter. Over de kwalificatie ‘koningskoppel’, zegt Wolfsen: „Ik voel me gecoiffeerd.”

Wolfsen moest op het allerlaatste moment plaatsmaken voor Nebahat Albayrak. „Zij heeft er al een termijn extra opzitten in de Kamer, ze stond hoger op de lijst, en ze is een vrouw”, vat Wolfsen samen. „Dus heeft ze er meer recht op.” Albayrak is een protegée van Bos, in 1998 kwamen ze tegelijkertijd in de Tweede Kamer.

Wolfsen zegt dat hij niet wist dat hij genoemd werd voor een post in het nieuwe kabinet. „Ik hield er nul komma nul procent rekening mee.” Ook de Kamerleden Ferd Crone en Mariette Hamer waren in de race voor een staatssecretariaat. Bos belde ze zelf op dinsdag op om hen mee te delen dat ze niet uitverkoren waren.

Ook de naam van René Smit werd veelvuldig genoemd, vooral op het departement waar hij minister zou hebben moeten worden: Volksgezondheid. Smit was één van de vernieuwers in het CDA. Hij was van 1990 tot 1996 CDA-wethouder in Rotterdam, zat de verkiezingsprogrammacommissie voor, en is voorzitter van het College van Bestuur VU-Windesheim. „Ik bleef er kalm onder. Ik merkte wel dat de familie, vrienden en collega’s onrustig werden”, vertelt Smit. „Je komt in een dynamiek die je niet onder controle hebt.”

Dat hij werd genoemd, noemt hij „een eer”. „Mensen dichten je kwaliteiten toe als je blijkbaar geschikt bent voor dit prestigieuze ambt.” Balkenende wist al van af het begin van de formatie dat hij Ab Klink op Volksgezondheid wilde en niet Smit. Smit voelt zich niet gepasseerd. „Ik heb een fantastische baan.”

    • Egbert Kalse
    • Guus Valk
    • Cees Banning