Iedereen altijd winst, dat kan niet

Private-equityfondsen zijn bondgevederde vogels tussen de doorgaans in krijtstreepgrijs uitgedoste overige bewoners van de financiële volière. Zij doen opvallende bedrijfsovernames, komen regelmatig in de publiciteit en gaan soms zelfs harde confrontaties met aandeelhouders en bestuurders niet uit de weg. Toch vormen de overnames maar de helft van wat zij doen. Het is de publiekskant van hun werk, net zoals in een goed restaurant de gedekte tafels met kristal en tafelzilver de kant is waar de show wordt opgevoerd. Achter de klapdeuren is de chef bezig met zijn vakmanschap, zijn keukenstaf en zijn inkoopkennis. Daar worden de voorwaarden geschapen waardoor de bediening voortreffelijke gerechten op tafel kan brengen.

Bij private equity is de keuken niet de kant van de bedrijfsovernames, waar het geld wordt weggezet, maar de kant waar het wordt opgehaald. Daar schuilt het geheim van de spectaculaire groei die deze financiële bedrijfstak de afgelopen jaren heeft doorgemaakt. De drijvende kracht achter deze ontwikkeling is dat allerlei financiële partijen op enorme massa’s geld zitten waar ze iets mee moeten. Het gaat hier deels om zeer vermogende individuen, maar vooral om institutionele beleggers. Onze eigen ABP en PGGM zijn wereldwijd enkele van de grootste partijen op dit gebied. Zij zien dat traditionele beleggingen, zeker in de risico mijdende sfeer zoals deposito’s en staatsschuldpapier, nauwelijks iets opbrengen. Het geld dat ze in handen houden, behoudt intussen niet zijn waarde maar verdampt waar ze bij staan. Want kijk naar de waardeontwikkeling van de meest uiteenlopende beleggingscategorieën, van grondstoffen tot oude meesters, van luxe appartementencomplexen in Dubai tot superjachten – bijna alles stijgt in waarde, en vaak nog in rechte lijn ook. Het geld dat deze beleggers vandaag niet besteden aan de aankoop van een winkelcentrum is over een tijdje maar een half winkelcentrum waard.

Een wereld waarin alles alleen maar in waarde stijgt, is een droomwereld, een illusie. Als je met 1.000 euro vandaag half zoveel goud of Dow-Jonesaandelen of kantoorruimte kunt kopen als een tijdje geleden, dan klopt er iets niet. Dan is er maar één conclusie: niet alles wordt meer waard, maar geld minder. Wie in die situatie geld heeft, moet het snel kwijt. Het doet denken aan de Duitse hyperinflatie van de jaren 20. Wie een miljoen reichsmark had en er een pakje sigaretten voor kon kopen, moest dat snel doen, ook al rookte hij niet. Want een sigaret was morgen nog een sigaret waard, en die reichsmarken maar de helft. De tabakshandelaar wist intussen ook wat hem te doen stond met zijn net ontvangen miljoen. Snel uitgeven aan iets anders, want geld was veel te heet om vast te houden.

Boodschappengeld houdt nog aardig zijn waarde, dankzij uiteindelijk Chinese arbeiders die bereid zijn voor spotprijzen onze flatscreen-tv’s en sportschoenen te maken. Maar beleggersgeld, het grote mensengeld dat in plukken van 100 miljoen of meer ineens moet worden weggezet, komt meer en meer in de sfeer van de koortsige roes, in een carrousel die steeds sneller gaat en zichzelf versterkt. Bedrijfswinsten zijn gemiddeld elk jaar weer hoger dan het vorige, waardoor volatiliteit en risico gecamoufleerd raken. Er gaat immers zelden meer een bedrijf failliet? Maar wie de vermogensontwikkeling niet uitdrukt in euro’s of dollars maar bijvoorbeeld in kilo’s koper, vaten olie of desnoods vierkante meters kantoorruimte, krijgt een ander beeld te zien. Dan slaan veel winsten om in verliezen, en zelfs het strenge spook van bedrijfsdeconfitures begint weer dreigend zijn wenkbrauwen te fronzen. Dat lijkt jammer, maar het verjaagt de onzin en het is meer in overeenstemming met intuïtieve economische logica dan de droomwereld van vandaag. Iedereen altijd winst, dat kan niet. Dat sommige ondernemers en topbestuurders briljant zijn, is nog te geloven. Dat ze het allemaal zijn, niet.

Maar wij leven in een wereld van euro’s en dollars, en in deze wereld hebben de geldophalers van private-equityfondsen een interessant aanbod voor grote beleggers: wij helpen jullie van je zwak renderende en slinkende geld af en zetten het weg in dingen die wel wat opbrengen. Natuurlijk hebben zij zelf een probleem zodra zij dat geld op hun rekening gestort krijgen, en moeten ook zij het zo snel mogelijk zien weg te zetten. Dat levert grote concurrentie op bij de biedingen op ondernemingen, en overeenkomstig stijgende prijzen. The Economist constateerde laatst dat dat een duidelijk nerveuze sfeer oplevert bij de fondsbeheerders. Het is als stuivers oprapen voor een aanrollende stoomwals, zei er een. Aan de ene kant moeten zij snel hun geld kwijt, aan de andere kant is er de knagende zorg dat zij bezig zijn met een speciale, dreigende stoelendans. Wie heeft er straks geen plaats als de muziek ophoudt? Of zijn misschien zelfs alle stoelen weg? Dan is de verleiding groot, hoe irrationeel ook, erop te gokken dat de muziek eeuwig zal doorgaan deze keer. Op een iPod kan tegenwoordig immers ook een paar honderd uur muziek. Met een grammofoonplaat was je vroeger binnen een uur uitgespeeld.

Het probleem is dat er wereldwijd te veel geld in omloop is. Dat is geen uitkomst van gedegen monetair onderzoek maar een boerenklompenwaarneming op de markt. Waar het vandaan komt of uit de grond opborrelt, is niet duidelijk, en wie er aan de kranen en afsluiters van die geldbron zit evenmin. Maar het eroderen van een vaste, stabiele waarde-eenheid als veilig bezit en vluchthaven is een dreigend gegeven. Financieel en maatschappelijk.