Geschenkcement

Cadeaus houden de samenleving bijeen. Maar is ‘schenken’ altruïsme, een relatietest of machtsuitoefening? Sociologen zoeken het antwoord in de antropologie en in de evolutieleer.

Dirk Vlasblom

Omgangsvormen variëren en veranderen, maar de grondbeginselen van het samenleven doen dat nauwelijks. Het bijbelse voorschrift ‘eert uw vader en uw moeder’ kan evengoed worden nageleefd door vader te tutoyeren als door hem met ‘Mijnheer’ aan te spreken. Of de jarige een cadeau nu ingepakt laat in het bijzijn van de gever – zoals Japanners en Indonesiërs doen – of het meteen uitpakt en een vreugdekreet slaakt, zijn rol is die van dankbare ontvanger. Dat conventies veranderlijker zijn dan sociale beginselen blijkt uit het boek Strategic Affection? – Gift Exchange in Seventeenth-Century Holland (2007) van cultuurhistorica Irma Thoen. Aan de hand van dagboeken, brieven en een autobiografie geeft ze een kijkje in het dagelijkse leven van een schoolmeester, een regent, een bontwerker en een stadhouder in het Holland van de vroege Gouden Eeuw. Thoen, zelfstandig onderzoeker, vergeleek deze egodocumenten met 280 brieven die gewone Nederlanders schreven op 15 mei 1998. Het is een greep uit de 50.000 Brieven aan de Toekomst, een initiatief van het Meertens Instituut en twee andere culturele instellingen die voor het nageslacht wilden vastleggen wat Nederlanders deden en dachten aan het einde van het tweede millennium.

Thoen zocht naar mededelingen over de uitwisseling van geschenken. Daaronder verstaat ze het geven van geld, voorwerpen, voedsel en drank, artistieke en intellectuele giften (tekeningen, gedichten, boeken) en immateriële giften als gastvrijheid, praktische hulp en emotionele steun. Ze ging na wie wat aan wie gaf en bij welke gelegenheden. Ze bekeek geschenkenruil in het dagelijkse leven, op christelijke feestdagen, tijdens jaarmarkten en bij rites de passage (geboorten, huwelijken en uitvaarten).

Thoen begon aan dit onderzoek omdat ze twijfelde aan de heersende opvatting onder cultuurhistorici dat genegenheid en intimiteit een modern verschijnsel zijn. In het Europa van de vroegmoderne tijd (ruwweg 1500-1750) zou affectie een geringe rol hebben gespeeld in sociale relaties. Huwelijken, zo wordt beweerd, waren eerder strategische allianties tussen families dan innige relaties tussen echtelieden. Gezien de hoge kindersterfte zouden vooral moeders gevoelens voor hun kinderen hebben onderdrukt om zich psychisch te wapenen tegen mogelijk verlies. En vriendschappen ontstonden vooral uit berekening.

affectieve termen

Thoen kwam tot de conclusie dat er in vier eeuwen niets wezenlijks is veranderd. Ze vond tussen ouders en kinderen, partners en vrienden in de zeventiende eeuw niet minder affectie dan bij de briefschrijvers van 1998. ‘In beide tijdperken spelen zowel sympathie als berekening een rol bij het geven van geschenken.’ Thoen constateerde wel een belangrijke verandering in culturele conventies, vooral in het spraakgebruik rond de uitwisseling van giften. ‘Zeventiende-eeuwse Hollanders hadden het over “eer” en “verplichting”, terwijl hedendaagse Nederlanders bij het geven van cadeaus vooral affectieve termen gebruiken, wat de strategische kant van dit gedrag verhult. Dit verklaart ook het zakelijke beeld dat men nu heeft van zeventiende-eeuwse relaties. Wij vinden de teksten van toen nogal bot.’

Het zijn dus vooral verschillen in conventies, gewoonten. Thoen verklaart ze met veranderingen in de samenleving. In het zeventiende-eeuwse Holland waren mensen voor overleving aangewezen op familie en vrienden. De maatschappij van nu is vergaand geïndividualiseerd; mensen zijn afhankelijker van de staat dan van hun familie. Maar in de zeventiende eeuw waren sociale contacten van vitaal belang. Mensen wilden weten wat ze van anderen in hun sociale netwerk konden verwachten. En dat werd ook zo gezegd (‘verplichting’). Warme woorden over vriendschap en genegenheid lijken een luxe van de verzorgingsstaat. Het grondbeginsel van geschenkenruil – wederkerigheid – is intussen niet veranderd.

Het geschenk als sociaal verschijnsel is nooit weggeweest, maar is pas kort geleden ontdekt door de sociologie. ‘Of het nu gaat om een tastbaar voorwerp of iets ongrijpbaars als gastvrijheid of een vriendendienst’, schrijft Irma Thoen, ‘de gift speelt een belangrijke rol bij het leggen van sociale contacten. De wederkerigheid die erbij hoort, onderhoudt deze banden.’ Dat inzicht wint terrein in de sociale wetenschappen. Thoens boek verscheen in de reeks ‘Solidariteit en Identiteit’. Die titel is een programma. De sociologie is terug bij de grote vragen van zijn grondleggers – Max Weber, Emile Durkheim en Talcott Parsons – die zich verdiepten in de mechanismen van sociale samenhang. Voor die hernieuwde belangstelling zijn er redenen te over: individualisering, mondialisering en massamigratie.

In dezelfde serie verscheen een boek van de sociologe Aafke Komter: Solidariteit en de gift (2003), dat onlangs in het Engels uitkwam bij de Cambridge University Press. Komter, hoogleraar sociale cohesie aan de Universiteit Utrecht, brengt daarin twee tradities van sociaal-wetenschappelijk denken samen: sociologische theorieën over solidariteit en antropologische theorieën over geschenkenruil. Zij ging na of deze gecombineerde inzichten licht werpen op hedendaagse solidariteit.

Komter over wat haar bewoog: “Wat is de overeenkomst tussen een cadeau en vrijwilligerswerk? Tussen bloed doneren en lid zijn van een vakbond? Als we hulp verlenen aan onze bejaarde ouders is dat een daad van solidariteit en tegelijkertijd een immateriële gift. De theorievorming rond die twee verschijnselen heeft zich, gek genoeg, gescheiden ontwikkeld.”

Tegenwoordig maakt men zich evenveel zorgen over het lot van solidariteit als aan het einde van de negentiende eeuw, toen de westerse samenleving in hoog tempo veranderde als gevolg van industrialisering. Ook nu wordt gevreesd dat maatschappelijke veranderingen – individualisering, mondialisering – het cement van de samenleving aantasten. Emile Durkheim (1858-1917) bespeurde in zijn tijd een overgang van de ‘mechanische solidariteit’ van familie, dorp en kerkgenootschap, die waarden en normen – hij sprak van een ‘collectief geweten’ – deelden, naar ‘organische solidariteit’, de onderlinge afhankelijkheid van mensen in een samenleving met een ver doorgevoerde arbeidsverdeling.

In dezelfde periode dat Durkheim zijn theorieën ontvouwde, begonnen antropologen veldwerk te doen in niet-westerse samenlevingen. Zij zagen solidariteit als een patroon van wederkerigheid tussen individuen dat ontstaat door de uitwisseling van geschenken en diensten. Een klassieker is Essay sur le Don (1923) van Marcel Mauss, die geldt als de grondlegger van de Franse antropologie. Mauss beschouwde geschenkenruil als ‘het morele cement van iedere samenleving en cultuur’. Hij putte materiaal uit het onderzoek van collega’s, zoals de Amerikaan Franz Boas, die veldwerk deed onder indianen van de noordwestkust, en de Poolse Brit Bronislaw Malinowski.

Malinowski publiceerde in 1922 Argonauts of the Western Pacific, gebaseerd op veldwerk in de Melanesische Trobriand Archipel. Daarin analyseert hij de Kula-cyclus, een systeem van ceremoniële geschenkenruil, waarin kettingen van rode schelpen met de klok mee bewegen langs deze cirkel van eilanden en kettingen van witte schelpen tegen de klok ingaan. Zij komen elkaar regelmatig tegen en worden tegen elkaar geruild. Het gaat niet om de kettingen, maar om de ruil, om wat Malinowski het beginsel van ‘geven en nemen’ noemt. De schelpenkettingen moeten in beweging blijven. Een man die een gift te lang vasthoudt, krijgt een slechte naam.

berekening

Met Mauss en Malinowksi ziet Komter het beginsel van wederkerigheid dat ten grondslag ligt aan geschenkenruil als een fundament van de menselijke samenleving. Komter schrijft: ‘Het is de morele basis voor de ontwikkeling van sociale banden, omdat er de erkenning in besloten ligt van de ander als een potentiële bondgenoot. Zonder die erkenning is geen uitwisseling mogelijk.’ Volgens Komter is het informele sociale contract dat wordt gesloten door wederkerigheid zo effectief door ‘de verzoening van individuele en maatschappelijke belangen. Reciprociteit combineert op een elegante manier zelfzuchtige overwegingen met de vereisten van het sociale leven.’

Tijdens haar onderzoek naar geschenkgedrag in Nederland merkte Komter dat gevers weinig willen weten van berekening in hun gedrag. ‘Hoewel geschenken geven meestal gehoorzaamt aan het principe van wederkerigheid, wordt het subjectief ervaren als een niet-economische, spontane en altruïstische handeling, die is bedoeld om persoonlijke gevoelens over te brengen, niet als een ruiltransactie.’

Er bestaan belangrijke gradatieverschillen in wederkerigheid, erkent Komter. Klassieke antropologen brachten de aard van de gift in verband met de aard van de sociale relatie: hoe kleiner de sociale afstand, hoe belangelozer de gift en hoe minder uitgesproken de verwachting van een wedergift. Malinowski zag een continuüm van de ‘zuivere gift’ (onder familieleden), via evenwichtige ruil (met de meerderheid van de gemeenschap) naar ruil met het oogmerk van persoonlijk gewin (met onbekenden). Uit Komters onderzoek naar informele zorg (helpen bij een verhuizing, klusjes opknappen, boodschappen doen) en emotionele steun (medeleven, troost) in Nederland bleek dat dergelijke hulp meestal gaat naar ouders, kinderen, familieleden en vrienden, in die volgorde.

domineren

De Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss noemt ook macht een motief om te geven. Geschenken kunnen dienen om het persoonlijke prestige en de status van de gever te versterken en de andere partij te vernederen of te domineren door hem in een positie van schuld en afhankelijkheid te manoeuvreren. Een klassiek voorbeeld uit de antropologie is de

Het principe van wederkerigheid heeft – naast machtsuitoefening – nog een schaduwzijde. De socioloog Robert Merton sprak van het Mattheus-effect, naar Jezus’ gelijkenis van de zaaier: ‘Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, hem zal ook ontnomen worden wat hij bezit’ (Mattheus 13:12). Volgens Komter is hetzelfde proces van toepassing op geschenkenruil. Ze verwijst naar haar eigen onderzoek, waaruit blijkt dat werklozen en gepensioneerden in Nederland niet alleen minder geven dan werkenden, maar ook minder krijgen. ‘Solidariteit is selectief. Mensen kiezen – vaak onbewust – in hun geschenkrelaties die partners die voor hen het meest aantrekkelijk zijn, omdat ze verwachten dat die iets terugdoen. De regel van wederkerigheid werkt dan in het nadeel van degene die al in de zwakste sociale positie is.’

Hoe groter de sociale afstand, des te meer zijn mensen bereid uit relaties persoonlijk voordeel te halen, anderen uit te sluiten of – in geval van vermeende vijanden – op te offeren aan het groepsbelang. Historisch en antropologisch onderzoek suggereert dat dit sociale patroon universeel is, maar daarmee is het nog niet verklaard.

Socioloog Ruud Koopmans probeert varianten van altruïstisch gedrag, ruwweg dezelfde die Komter onderscheidt, te verklaren uit hun evolutionaire nut. Dat is niet gebruikelijk in de sociologie, want daar is men heel beducht voor genetisch determinisme. Koopmans motiveert zijn ‘evolutionair-sociologische’ aanpak aldus: ‘Ik geloof niet dat men ver komt met de verklaring van moderne samenlevingen op basis van genetische factoren, al kan de genetische erfenis van mensen bepaalde sociale verschijnselen helpen verklaren. Evolutionaire mechanismen als variatie, selectie en reproductie zijn ook van toepassing op andere vormen van informatieopslag en -overdracht dan genetische. Normen, waarden en strategieën zijn, net als gedragregulerende genen, regels die instructies voor gedrag bevatten. Die culturele regels kunnen door socialisatie, imitatie en beïnvloeding worden overgedragen van het ene op het andere individu. Ook menselijke samenlevingen hebben te maken met schaarse hulpbronnen. Ook daar vindt [net als in de levende natuur als geheel] selectie plaats: mensen die sommige culturele regels volgen, zullen succesvoller zijn dan anderen die andere regels volgen en dit heeft gevolgen voor de voortplantingskansen van die regels. Succesvolle normen en strategieën worden geïmiteerd en minder succesvolle worden opgegeven.’

Toen Koopmans vorig jaar aantrad als hoogleraar aan de Vrije Universiteit wierp hij deze vragen op: hoe komt het dat mensen kostbare offers brengen voor het welzijn van anderen en voor abstracte idealen, en hoe is het mogelijk dat religies en ideologieën die zulk gedrag voorschrijven zoveel succes hebben? Hij gaf zijn oratie de titel Het Mysterie van de Naastenliefde.

Koopmans onderscheidde in zijn rede vier varianten van altruïsme, die corresponderen met punten op Malinowksi’s sociale afstandscontinuüm. Drie ervan zijn selectief: verwantschapsaltruïsme, gericht op genetische verwanten; wederkerig altruïsme, gericht op anderen die ook altruïstisch gedrag vertonen, en groepsaltruïsme, gericht op een groep die zijn culturele normen en waarden deelt. Alleen de vierde vorm, onbaatzuchtig altruïsme, is niet-selectief.

Hulpvaardigheid bij mensen – de geneigdheid te geven – is deels een kwestie van voorkeur voor verwanten. Gezien de wijdverbreidheid van verwantschapsaltruïsme onder dieren, maakt dit patroon deel uit van onze genetische erfenis, vindt Koopmans. De kracht van het verwantschapsaltruïsme neemt echter af met het aantal gedeelde genen.

In menselijke samenlevingen zijn vanouds veel interacties gebaseerd op het principe geven en nemen (wederkerigheid) van Malinowski. Koopmans in zijn oratie: ‘Dat is een strategie die niet is gebaseerd op rationele maximalisering van het eigenbelang, maar wie hem gebruikt, wordt er uiteindelijk beter van. Hij kan namelijk heel goed [mensen met] andere strategieën – die geen uitwisseling op gang brengen – tot samenwerking verleiden door als eerste hulp aan te bieden. De strategie profiteert dus relatief vaak van de evolutionaire bonus op samenwerking.’

competitie

‘Voor wat, hoort wat’ geldt niet voor opofferingsgezind gedrag in grotere groepen, dat niet is gericht op bepaalde individuen van wie men een wederdienst kan verwachten. Bij het verdedigen van de belangen van de bredere groep speelt groepscompetitie een grote rol. Normen die opofferend gedrag in het belang van de groep voorschrijven, zouden zonder die competitie gedoemd zijn te verdwijnen omdat wie die normen volgt slechter af is dan groepsleden die alleen profiteren van de bijdragen van anderen. Vanuit een evolutionair perspectief is er dus een sterk verband tussen altruïstisch gedrag binnen groepen en vijandig gedrag ten opzichte van andere groepen.

Koopmans: ‘Het onbaatzuchtige altruïsme (naastenliefde) is het lastigst te verklaren in evolutionaire termen, maar het kan wel. Het evolutionaire voordeel van het onvoorwaardelijke, niet-selectieve altruïsme van de Barmhartige Samaritaan is niet dat het ten goede komt aan anderen die op de gever lijken, maar dat het de kans vergroot dat de ontvanger de cultuur van de gever overneemt. Dat is de aanstekelijkheid van zendingswerk en ontwikkelingshulp als mechanismen van cultuurverbreiding.’

Mensen zijn uiterst selectief in de cultuuruitingen en gedragsregels die zij van anderen overnemen. Redenen waarom ontvangers zich bekeren tot de normen van hun weldoeners zouden kunnen zijn: hun kennelijke succes en betrouwbaarheid. Koopmans licht dit toe: ‘De missionaris is niet alleen de man die zichzelf belangeloos opoffert, maar ook degene die toegang verschaft tot allerlei begerenswaardigs: kennis, effectieve medicijnen. En als het gaat om vertrouwen is er geen betere manier om te laten zien dat je niet op eigen gewin uit bent dan anderen te bedelven onder onbaatzuchtige hulp. De gulle gever wordt zo een betrouwbare bron van culturele informatie.’

Wat leert dit alles over de grondbeginselen van samenleven? Mensen bekommeren zich vooral om hun ouders, kroost en naaste familie. Door geschenkenruil leggen ze contacten buiten die beperkte kring en houden ze die ook in stand. Ze azen vaak op eigen voordeel, maar zijn ook bereid zich op te offeren voor de eigen groep. En er zijn gevers die niet uit zijn op tegenprestaties en die niet letten op de identiteit van de ontvanger. Dat is niet zo irrationeel als het lijkt, want naastenliefde werft.

    • Dirk Vlasblom