Gallipoli en Troje: voor de Turken is Odysseus een piraat

In Klein-Azië, hebben oost en west elkaar duizenden jaren in de haren gezeten. Atatürk zag een analogie tussen de slag om Gallipoli en de Trojaanse oorlog: „Ich bin ein Trojaner.”

De tempel van Athene in Assos (Behramkale) Foto Janine Prins Prins, Janine

„Ich bin ein Trojaner”, zo beval de gids bij de ingang van de ruïnes zichzelf aan. De man was namelijk geboren en getogen in Tevfikye, een dorp in West-Turkije aan de voet van de heuvel Hisarlik, waar Heinrich Schliemann in 1871 zijn opgravingen van Troje begon. Nu geloven de meeste experts dat het Troje uit de boeken van Homerus geen fictieve stad was, maar werkelijk hier lag, niet ver van de monding van de Dardanellen of Hellespont.

De geografie is een belangrijk argument. Uitkijkend vanaf de top van de door Schliemann en zijn opvolgers afgegraven heuvel richting zee zie je eerst een vruchtbare vlakte, waar ruim drieduizend jaar geleden nog holle schepen op het strand lagen. Zoals veel dode steden kwam ook Troje steeds verder van de kust te liggen. Iets verder zie je olietankers varen, van en naar de Zwarte Zee, langs een van de belangrijkste internationale scheepvaartroutes.

In vele talen, ook in het Nederlands, staat bij de ingang van de opgraving van Troje, naast een houten paard uit 1975 dat op dit moment alweer gerestaureerd wordt, de tekst: „De wind heeft Troje rijkdom gebracht.” De redenering luidt dat in de twaalfde eeuw voor Christus nog niet goed tegen de wind in gezeild kon worden, en dat de wind maar zelden uit het zuiden kwam. Elk schip dat door de Hellespont wilde, moest dus wachten op gunstige wind in de dichtstbijzijnde haven, die van Troje. Er waren bovendien goudmijnen in de buurt, zodat de stad die de Grieken Ilios of Ilion noemden al eeuwenlang steenrijk en oppermachtig was. Maar wie waren die Trojanen dan?

Atatürk, grondlegger van het moderne Turkije, heeft veel onderzoek laten verrichten naar de pre-islamitische beschavingen op het grondgebied van de Turkse republiek. Hij was niet de enige die geloofde dat de bewoners van Troje oorspronkelijk Hettieten waren, die in de stad Wilusa (het Griekse Ilios) waren neergestreken. In Hettitische geschriften wordt ook gesproken over een machtig buurvolk dat daar de Ahhiyawa heet. Ze deden regelmatig pirateninvallen op de Hettitische kust. Zouden dat Homerus’ Achaeërs kunnen zijn?

Toen Atatürk nog Mustafa Kemal heette, was hij in 1915 een van de Turkse commandanten bij de slag om Gallipoli, net aan de overkant van de zeestraat. De parallellen met de Trojaanse oorlog waren ook deze commandant opgevallen. Vanuit het westen probeerden strijders van verschillende nationaliteiten (Britten, Fransen, Australiërs, Nieuw-Zeelanders) of ‘geallieerden’ het leger van de bewoners te verdrijven. Het doel van de aanval werd met fraaie argumenten verdedigd, maar diende toch vooral een economisch belang, namelijk de doortocht naar de Zwarte Zee. Vooral door de steile hellingen was het voor de verdedigers prijsschieten en moesten de aanvallers afdruipen, nadat beide partijen zware verliezen hadden geleden. Uiteindelijk werd de oorlog toch gewonnen door de geallieerden, door een list c.q. hulp van buiten. Maar Mustafa Kemal vierde de overwinning bij Gallipoli met de verzuchting dat dit de wraak van Troje was.

Tevfikye is nu een dorp waar de weg doodloopt en het naar mest ruikt. In Zuid-Amerika kun je de ruïnes van hoofdsteden van machtige Inca-rijken (Machu Picchu, Tihuanacu) naast net zulke strontdorpen vinden. Maar de eerste indiaanse en socialistische president van Bolivia, Evo Morales, liet zich wel in Tihuanacu inzegenen.

Even verderop in Turkije, aan het eind van een weg omzoomd door wat officieel ‘Trojaanse eiken’ heten, ligt een ander onbetekenend dorp aan zee: Bahremkale. De eerste moskee werd er gebouwd in de vijftiende eeuw, daarvoor was het 2.200 jaar Grieks en luisterde naar de naam Assos. De resten van de tempel van Pallas Athene op de akropolis van Assos herinneren aan de tijd dat dit een centrum van wijsbegeerte was. De koning van Assos, Hermias van Atarneus, was een leerling van Plato, die er trots op was dat Aristoteles in 348 voor Christus in Assos kwam wonen en met zijn nichtje Pythia trouwde. Drie jaar later verhuisde Aristoteles naar het nabije Lesbos. Nog een paar jaar later vielen de Perzen Assos binnen en martelden Hermias tot hij stierf.

Oost en West zijn in Klein-Azië nooit erg zachtzinnig met elkaar omgegaan. Zouden de Turken toen ze in 1923 Smyrna (Izmir) in brand staken om de Grieken te verdrijven, nog aan Troje hebben gedacht, in de as gelegd door de Achaeërs uit het paard? Wie de eeuwige schermutselingen aan de oostkust van de Middellandse Zee wil afdoen als een strijd tussen westerse beschaving en oosterse barbaren, kent zijn geschiedenis niet. Het ligt aan het eigen perspectief wie je zeerover of kruisvaarder noemt.