Een ijzersterke situatie

Schrijfster Nicolien Mizee geeft een cursus ‘Verhalen schrijven’ aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door haar leerlingen.

„Een goede dialoog komt voort uit een goede situatie. ‘Ik lust wel een kopje thee’ kan een spectaculaire zin zijn als hij wordt uitgesproken door iemand die in geen twintig jaar een woord gezegd heeft, of als het de laatste woorden van een man voor het vuurpeloton zijn. Twee mensen in een lijkenveld laat je over appelmoes en rode kool praten, maar als ze in een bushokje in Almere zitten, laat je ze moord en overspel opbiechten. Anders gaat de lezer doorbladeren. En je hebt als schrijver maar één zorg: dat je lezer doorleest en dat hij alles leest. Voor de volgende week verzinnen jullie een ijzersterke situatie. Die schrijven jullie niet op, maar wel de dialoog die eruit voortvloeit.”

De week daarop bespreken we het huiswerk. Het stuk van Ben ligt bovenop. Ben is joods. Zijn ouders hebben elkaar in Kamp Westerbork leren kennen. De rest van de familie is uitgemoord. „Maar daar ga ik niet over schrijven”, heeft hij er tijdens de kennismakingsronde achteraan gezegd. „Want dan wordt het therapeutisch.”

„Wat is er mis met therapeutisch?” roept Irene. „Therapeutisch kan ook heel goed zijn!”

Ben wil alles ingewikkeld maken, anders is het volgens hem geen echte literatuur. Met zijn magere, kale kop ziet hij eruit als een echte schrijver, maar ook nu begrijpt de helft van de klas niet waar zijn dialoog over gaat. „Gaat het over de vuilnisophaaldienst?” vraagt Irene.

De oudere leerlingen begrijpen het wel. Het gaat over een jonge man die in mei 1945 aanbelt bij zijn ouderlijk huis en wordt opengedaan door de huishoudster, die hem niet wil binnenlaten.

‘Mevrouw Mulder!’ laat Ben zijn personage uitroepen. ‘Hoe kunt u mij de toegang weigeren tot mijn ouderlijk huis?’

„Ben”, zeg ik voorzichtig. „Denk je echt dat die jonge man dat zo zou zeggen?”

„Het overkwam mijn vader”, zegt Ben. „Hij was vrijwillig naar het kamp gegaan om zijn ouders te zoeken. Maar die waren al...” Hij wijst omhoog. Vergast, bedoelt hij. „Mijn vader kwam terug en hoopte één moment dat z’n moeder de voordeur zou opendoen. Maar de huishoudster woonde er nu. Hoe het precies verder ging, ga ik niet vragen. Ik wil een boek schrijven waarin ik speel met de materie. Als je alles bent kwijtgeraakt, kun je nooit meer ergens contact mee maken. Ja, dat zegt mijn vader niet. Dag zeg ik!”

„Dit is geen materiaal om mee te spelen”, zeg ik. „Je moet weten wat je weglaat, niet weglaten omdat je het niet weet.”

Die week komt er voor het eerst geen huiswerk van Ben, maar donderdagavond schuift hij, met zijn petje op zijn kale kop, de klas weer binnen.

„Ik heb niks geschreven deze week. Ik ben naar mijn vader gegaan. Hij heeft verteld. Zes uur lang. Ik heb alles opgenomen. Maar ik kan er nog niet over vertellen.”

Ben zal de rest van de cursus niets meer schrijven. Bij de huiswerkronde vertelt hij trouw hoeveel uur hij deze week met zijn vader gepraat heeft.

De laatste les zegt hij: „Ik kan weer lezen. De laatste jaren had ik er de concentratie niet meer voor. Schrijven lukt me niet, maar lezen tenminste wel.”

Irene geeft hem een klap op zijn schouder.

We zijn eigenlijk allemaal erg tevreden over Ben.