Een hoed zonder hoofd

Artikel 7 van de Nederlandse grondwet verbiedt censuur vooraf. Iedereen mag via de drukpers gedachten of gevoelens openbaren ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’. Daar zitten we mooi mee. Want is deze mooie wetstekst, die nog stamt uit de Franse Revolutie, niet een lege zak geworden? Een verfomfaaide lampion na een St. Maartensoptocht? De prullebak met cadeaupapier na pakjesavond? Een leeggeblazen ei? Een uitgeholde pompoen? Een hoed zonder hoofd?

Nee, er is officieel geen censuur in Nederland. En dan staat er eenvoudig op 13 februari 2007 in de Nederlandse krant dat er vier wetenschappelijke artikelen van academici uit een bundel geweerd zijn omdat deze de Turkse overheid onwelgevallig waren. Museumambtenaren blijken zelfcensuur toe te passen, uit angst voor intrekking van subsidies, of omdat ze bang zijn anders bepaalde mooie voorwerpen niet te mogen exposeren. Zelfcensuur is in zekere zin kwaadaardiger dan openlijke censuur. Als wetenschappers of journalisten bepaalde onderwerpen niet meer aan durven te snijden, is de vrije meningsuiting bedrieglijk. De halvigheid wordt norm, terwijl bij staatscensuur iedereen duidelijk weet dat de pers niet te vertrouwen is. Staatscensuur nodigt uit tot verzet, tot publicaties buiten de goedgekeurde pers om. Zelfcensuur daarentegen verdoezelt wat er eigenlijk aan de hand is, en maakt het uiterst moeilijk om te beoordelen of ergens al dan niet vrij over geschreven is.

Nu is niet elke vorm van zelfcensuur te veroordelen, integendeel. Ik zou er erg voor zijn als banaliteit, ordinairheid en platvloersheid beperkt bleven tot de eigen huiselijke sfeer en niet via drukpers, tv of web bij mij in huis komen. Ik zou zelfs verder dan zelfcensuur willen gaan als het slechte smaak betreft, in dit dwaze land waar peepshows tot cultuur benoemd zijn. Platheidscensuur in Hilversum, uitgevoerd door een commissie met neefjes en schoonzussen van Balkenende en Rouvoet, ik zou er vierkant voor zijn. Maar er is iets fundamentelers aan de hand als historische overzichten van wetenschappers niet gepubliceerd worden, zoals gebeurd is bij de catalogus van de Istanbul-tentoonstelling in Amsterdam. Dan dooft het licht, om met Van Randwijk te spreken.

De geschiedenis van de censuur is ouder dan die van de drukpers. Je zou verwachten dat pas de massale verspreiding van boeken en pamfletten de overheden beangstigd zou hebben. Censuur dus vanaf de uitvinding van de boekdrukkunst. Maar dat klopt niet: vanaf het moment dat ideeën opgeschreven werden, zijn er mensen om veroordeeld. Wie de eerste in de macabere rij is van schrijvers die om hun woorden de doodstraf kregen, zou ik niet weten. Socrates misschien, die de jeugd bedierf en daarom de gifbeker moest drinken? Homerus’ Odyssee werd door de Romeinen gecensureerd, Romeinse schrijvers werden op hun beurt weer verboden in de Middeleeuwen, en middeleeuwse kluchten werden in de negentiende eeuw verboden voor scholen. Humanisten kwamen op de index, en Luther werd in de kerkelijke ban gedaan. En die geschiedenis gaat maar door. Ook in Nederland en Vlaanderen. Jacob Israel de Haan ontslagen in het begin van de twintigste eeuw, Van het Reve en Hermans kregen processen na de oorlog, Brusselmans nog onlangs. Daar waar de censuur opgeheven leek te zijn, zijn er nog altijd aanklachten wegens belediging mogelijk, en anders komt de censuur wel weer terug in de vorm van zelfcensuur.

In Nederland is er in twee periodes echte staatscensuur geweest, in de Franse en in de Duitse tijd. In de tijd dat Nederland ingelijfd werd bij Frankrijk, 1810, mocht er niets gepubliceerd worden dat niet eerst in Parijs was goedgekeurd. Slechts weinig uitgevers kregen vergunning om te drukken, en maar enkele kranten en tijdschriften mochten verschijnen. De ‘censeur imperial’ beoordeelde alles. Schrijvers probeerden aan de censuur te ontkomen door te schrijven over het verleden. Lofzangen op Michiel de Ruyter werden zo verzetspoëzie. Met hun odes aan het onafhankelijke Nederland van vroeger, bekritiseerden de schrijvers de Franse overheersing. De dichter J.F. Helmers schreef in 1812 De Hollandsche natie, een lang gedicht over het ontstaan en de groei van Nederland. De keizerlijke censor schrapte honderd regels, verving er vijftig en eiste hier en daar pro-Franse toelichtingen. Toen het boek eenmaal gedrukt was, werd het de autoriteiten duidelijk dat het boek nog veel anti-Franser was dan de censor gezien had. Er kwam een arrestatiebevel voor Helmers. Soldaten werden naar zijn woning in Den Haag gestuurd. Met veel geraas traden zij naar binnen, waar zij opgewacht werden door Helmers’ zwager, de dichter Adriaan Loosjes. Hij wees hun met een breed gebaar naar de bedstee. ‘Ziedaar uw gevangene….’ Helmers was die nacht overleden.

Koning Willem I herstelde direct na zijn aantreden de wet op de vrije pers. Terwijl in Duitsland elk staatje zijn eigen censor had, die bijvoorbeeld de werken van Heinrich Heine verbood, hield Willem I zich staande tegen herhaalde verzoeken van religieuze groeperingen om de drukpers te beknotten. Willems opvolgers hadden hun eigen oplossingen voor kritische journalisten: zij kochten ze om en betaalden een enkele reis Parijs of Batavia.

De geschiedenis van de Duitse censuur is velen nog bekend uit eigen ervaring. Niet alleen boeken van Joodse schrijvers werden verboden, zelfs een onschuldig kinderboek als Dik Trom van Joh. Kievit mocht niet verkocht worden, omdat een jongetje ergens uitroept: ‘leve de koningin’. Sinds eind 1942 mochten alleen leden van de Kultuurkamer publiceren, maar dat verhinderde niet dat er op allerlei plaatsen in het land clandestien drukwerk verscheen. Het werd de bezetter moeilijk gemaakt om te ontdekken welke drukkerij een bepaald werkje gezet en gedrukt had, want de illegalen gebruikten massaal hetzelfde type letter.

De Duitsers publiceerden lijsten van verboden boeken, net als de katholieke kerk het deed in de Index Librorum Prohibitorum. In de eerste druk van de Index uit 1559 was het zelfs verboden om bijbels in de landstaal in bezit te hebben. Maar de katholieke kerk had lang niet altijd de middelen om tot werkelijke vervolging over te gaan. Dreigen met hel en eeuwige verdoemenis moest de roomsen ervan af houden om Rousseau, De Sade en Voltaire te lezen.

Die werden in Nederland gedrukt, omdat de drukpers in de Republiek vrij was. Maar er was toen minder tolerantie dan over het algemeen aangenomen wordt. Het schrijven zelf kon niet bestraft worden, maar wel het publiceren en verspreiden. Geregeld werden drukkers van oproerige geschriften gevangen gezet. Vondel was zijn hele leven in conflict met de overheid. Zijn Palamedes werd verboden, alle exemplaren werden opgehaald bij de boekhandel, en Vondel dook onder om niet gearresteerd te worden. De opvoering van Lucifer werd verboden. De Gysbregt van Aemstel censureerde hij zelf, nadat de autoriteiten hem onder druk gezet hadden.

Is vrijheid van drukpers misschien een overleefde verworvenheid? Moet alles geschreven kunnen worden op de drie gebieden waar de censuur zich altijd mee bemoeit: seks, godsdienst en politiek? Onze voorouders uit de Verlichting, en de vrijbuiters van de jaren zestig hebben er zo voor gestreden, en nooit is die helemaal gerealiseerd. Is het een illusie dat de vrije pers in een vrij land onomstreden is? Is voorzichtigheid, en dus zelfcensuur, verstandiger dan onplooibaar vasthouden aan vrije meningsuiting? Heel Hilversum, alle journalisten weten dat je soms beter zwijgt. Beter laf dan lijk, denkt men na 11.9, 2.11, 6.5, en na de excommunicatie van Hirsi Ali. En ik kan daar begrip voor opbrengen. Maar als ook wetenschappers feitelijke informatie moeten verzwijgen of verdraaien, in een democratie, dan is er een grens overschreden. Dan is zelfcensuur geen voorzichtigheid meer, maar aantasting van de menselijke waarde en waarheid. ‘En toch draait de aarde,’ zou, volgens een mooie legende, Galilei na zijn veroordeling hebben gezegd. Hij zou nu zeggen: ‘En toch is Istanbul door de Grieken gesticht.’