Duitse nouvelle vague roept agressie op

Vanavond worden op het filmfestival van Berlijn de Gouden en Zilveren Beren uitgereikt. Iedereen is verdeeld. „Kanshebbers? Er zijn helemaal geen kanshebbers!”

Nina Hoss in de film ‘Yella’, die in Berlijn een kans maakt op de Gouden Beer. (Foto Hans Fromm scene uit de film Yella ein Film von Christian Petzold FOTO: Berlinale Fromm, Hans

Festivaldirecteuren weten hoe ze het spel moeten spelen. Je begint met wat matige films, want dan is daarna iedereen sneller tevreden. In het eerste weekend programmeer je ‘de Amerikanen’, want dan komen ‘de Amerikanen’ tenminste naar je festival en dat betekent: vakbladen, aankopers, kortom zaken doen. En aan het einde zet je de films die mensen uit hun stoelen blazen zoals gisteren het burlesque I served the King of England van Jirí Menzels (naar de schelmenroman van Bohumil Hrabal) of vandaag de flamboyante slotfilm Angel van François Ozon. Want dan blijft iedereen tenminste tot het einde, ook als de filmmarkt is afgelopen en de eerst bijbeldikke, dagelijkse ‘trade magazines’ nog maar een paar velletjes dik zijn. En tenslotte begint het speculeren. Wie gaan er met de prijzen vandoor? Het is overal hetzelfde ritueel. Iedereen is verdeeld en moppert op de selectie. „Waar zijn de kanshebbers? Er zijn helemaal geen kanshebbers!”

Op festival-directeur Dieter Kosslick wordt ook altijd gemopperd. Zijn competitie is per definitie onevenwichtig, omdat hij altijd een mengsel maakt van wereldcinema, debutanten, Amerikanen (The Good German van Steven Soderbergh en The Good Shepherd van Robert DeNiro bijvoorbeeld) en oude meesters (in deze editie: André Téchiné, Jacques Rivette, Jirí Menzel). Dit jaar zou het heel veilig zijn om die Amerikanen en die oude meesters te bekronen. Ze stellen niet teleur: goedbedoelde films over goedbedoelde onderwerpen. Revisie van de geschiedenis is in de mode, vooral die van de Tweede Wereldoorlog. Anders gaan de films wel over andere mannencomplotten, of het nu in gevangenissen is, zoals in Bille Augusts tergend politiek correcte Goodbye Bafana, of in kloosters, zoals in de onbegrijpelijke midlife crisis-film In memoria di me.

Als de jury (Paul Schrader, Willem Dafoe, Hiam Abbas en Gael García Bernal) zich niet al te veel om compromissen hoeft te bekommeren, dan zouden ze een prijs kunnen geven aan het energieke Lost in Beijing van Li Yu, waarin de veranderende verhouding tussen man en vrouw in modern China invoelbaar worden gemaakt, op een soms woeste, cinema-verité-achtige manier. Of aan François Ozons Angel, omdat zijn eerste Engelstalige film met campy ernst zwelgt in klassieke filmmelodrama’s, zodat er tenminste nog onweersbuien kunnen losbarsten als de held en de heldin (bij Ozon zijn ze tegendraads onsympathiek) elkaar eindelijk krijgen.

Maar de beste keuze zou zijn Yella van Christian Petzold, een als uitgebeende horrorfilm vermomde maatschappijkritische kijk op de nieuwe economie. Petzold is ook een van de aanjagers van de ‘Berliner Schule of Nouvelle Vague Allemande’, waarop door het filmestablishment even agressief wordt gereageerd als dertig jaar geleden op Fassbinder, iets wat nog fijntjes door zijn editor Juliane Lorenz werd gememoreerd bij de galapremière van Fassbinders gerestaureerde Berlin Alexanderplatz. Stilistisch totaal anders dan Fassbinder, maar met evenveel gruwelijke precisie, dwingt Petzold je om te gaan met de demonen in het menselijke bestaan. De actie is naar buiten het kader verbannen. Zijn personages zijn zo verkild dat je elk moment een onbeheerste uitbarsting kunt verwachten. Dat moet jurybaas Schrader, die ooit het script van Taxi Driver schreef, toch aanspreken.