De weduwe Goudstikker zou zich bij de teruggave in haar graf omdraaien

Degenen die ondanks verjaring kunst terugeisen, hebben vaak geen idee waar het om gaat, ontdekt Maarten Huygen.

Over Desi, de in 1996 overleden weduwe van de verongelukte kunsthandelaar Jacques Goudstikker, hoorde ik lof van degenen die op mijn stuk van vorige week reageerden. Ik heb foto’s van haar bekeken, anekdotes over haar gehoord. Ze werd beschreven als aantrekkelijk, warm en stijlvol tot op hoge leeftijd. Mij werd aangeraden om haar Mahleruitvoering op plaat te beluisteren. In navolging van haar wereldberoemde Weense moeder, Selma Kurtz, was ze zangeres geworden maar haar huwelijk met Jacques betekende het einde van haar zangcarrière. Na haar vlucht uit Nederland in 1940 en het ongeluk van haar man vestigde ze zich in Amerika en trouwde ze met de Nederlander A. von Saher. In 1964 keerde het paar terug naar Nederland waar velen haar goed hebben leren kennen.

Vrienden en verwanten verbaasden zich over de plotselinge eis tot teruggave van een deel van de handelsvoorraad van Goudstikker. En wel door de in de oorlog in Duitsland geboren enige erfgename die was aangetrouwd, Marei von Saher Langenbein. Haar man, zoon van Desi en Jacques, was vlak na zijn moeder overleden en niet lang daarna, in 1998, besloot Marei om de Goudstikkercollectie als gestolen kunst terug te claimen. „Desi zou zich in haar graf omdraaien”, zo vatte iemand uit kringen rond de familie de opgekropte ergernis over deze stap samen. Deze persoon had contact met mij opgenomen, maar vond het niet kies om met naam en al in de krant te staan.

Ook Henk van Os, universiteitshoogleraar in Amsterdam, specialist in vroeg-Italiaanse kunst en voormalig directeur van het Rijksmuseum, kan bevestigen dat zij zich had neergelegd bij het akkoord dat zij in 1952 onder protest had getekend. Van Os kwam het eerst met haar in contact toen een promovenda van hem in Groningen een artikel had geschreven over de Goudstikkercollectie. „Dat werd op prijs gesteld”, zei hij, want op deze manier kwam er aandacht voor de vroeg-Italiaanse kunst. Zij was blij dat hij Goudstikkers schilderijen naar Groningen haalde. Hij had er een in zijn werkkamer en een aantal werd tentoongesteld in het Groninger Museum. Van Os publiceerde erover en ze kregen een betere behandeling dan in de Nederlandse ambassades waar ze hadden gecirculeerd en waar ze soms verdroogd of kromgetrokken van terugkwamen.

Van Os herinnert zich een etentje waarin aan Desi direct werd gevraagd of ze de kunstwerken niet wilde terugkrijgen. „Ik kreeg de indruk dat ze absoluut niet verbitterd was”, zei Van Os. Een belangrijke reden was volgens hem haar vriendschap met A.B. de Vries en diens Russische vrouw. De Vries moest zelf als jood in de oorlog vluchten. Na de oorlog voerde hij namens de overheid harde onderhandelingen over teruggave met de weduwe Desi Goudstikker en haar vertegenwoordigers. De weduwe klaagde in 1952 dat hij haar eerder een valse voorstelling van zaken had gegeven. Uiteindelijk had Desi vrede met het resultaat. Dat is ook opgemerkt door Frits Duparc, directeur van het Mauritshuis die haar goed kende. Deze uitspraken bevestigen de conclusie van het Gerechtshof van Den Haag in 1999 dat Desi’s beslissing om het akkoord in stand te laten ‘welbewust en weloverwogen’ was genomen.

Na zware druk van de Amerikaanse overheid heeft het Nederlandse kabinet adviezen laten schrijven en een Restitutiecommissie ingesteld die op grond van ‘nieuwe inzichten’ na Desi’s dood het oude akkoord openbrak en de overheid adviseerde ruim 200 schilderijen aan de ervende schoondochter te schenken. De staatssecretaris volgde het advies maar dan op morele gronden. Zonder heffing van belasting, successierechten en aftrek van kosten van restauratie of wat dan ook.

De schoondochter lag niet goed bij Desi, stellen familiekringen en anderen vast, laat staan dat zij moreel gesproken in haar naam kan handelen. Marei is geen kunstliefhebber. Het ging om een handelsvoorraad, die zij niet kende. Ze heeft zich met haar koude wijze van optreden weinig geliefd gemaakt in de museumwereld. Toen ze bij Van Os in het Rijksmuseum kwam, vroeg ze direct waar de schilderijen hingen.

Ze ging met haar dochter Charlene kijken op kasteel Nijenrode, na de oorlog verkocht door Desi en nu een bedrijfskundige opleiding. In de hal trof Marei een schilderij aan dat ze meteen claimde. Gelukkig werd duidelijk dat dit een gift was aan Nijenrode, waar toenmalig directeur Neelie Kroes heel blij mee was. Marei moet nu eenmaal claimen en veilen, al was het alleen maar om het leger van advocaten, speurders, vertalers en kunsthistorici te betalen. Dit juridische perpetuum mobile is niet meer te stoppen. Musea kunnen wel de nieuwe claims van Marei von Saher afwijzen.

Waren alle schilderijen die Goudstikker in Duitsland kocht wel schoon? Ze kunnen ook zijn verkocht door joden die in de jaren dertig moesten vluchten. Hun claims tot teruggave worden in Duitsland gehonoreerd. Goudstikker kocht ook schilderijen die door de sovjetregering waren geconfisqueerd van Russische adel en die in Berlijn werden geveild. Hebben die aristocraten geen recht op teruggave? Waar stopt de verjaring? Marei von Saher heeft zich in een wespennest gestoken.

De Duitse regering en museumdirecteuren zinnen op manieren om de claims te beperken. Ook schilderijen die in de jaren dertig tegen redelijke prijs waren verkocht, worden geclaimd door kleinkinderen van rechthebbenden die door Amerikaanse advocatenkantoren zijn getipt. Mensen die van niets weten, voor wie de schilderijen geen affectieve waarde hebben en die geen idee hebben van de historische context. Langs deze weg verdwijnen veel Duitse expressionisten uit musea naar particuliere Amerikaanse verzamelaars. In de jaren dertig waren die expressionisten veel minder waard dan nu. Van ‘teruggave’ is geen sprake als de schilderijen meteen worden geveild om het leger adviseurs te betalen, net als bij Goudstikker. Een Kirchner uit een Berlijns museum bracht in New York 34 miljoen dollar op, een Klimt uit Wenen 135 miljoen. Dat kan een museum niet betalen. Om de vele mee-eters in de hand te houden wordt in Duitsland voorgesteld om bij teruggave een tijdelijk verkoopverbod op te leggen.

Waar eindigt het? Misschien moeten kleinkinderen van kunsthandelaren die in de hongerwinter hun kostbare schilderijen ruilden tegen een baal suiker of meel, worden gerestitueerd. Dat lijkt me een slecht idee.