Confucius, bedankt!

China heeft niets tegen homo’s. Als ze maar trouwen en kinderen krijgen. De dubbele moraal van een grootmacht in wording.

Dansavond in homoclub in Bejing, november 2006 Foto EyePress News Clubbers dance on stage in a gay bar in Beijing Tuesday Nov. 28, 2006. According to the Chinese Center for Disease control and prevention, there are up to 20,000,000 gays in China, and 46 percent of them are with college certificates and stable jobs. Students and office clerks take the most majority parts of the total number. EyePress News

‘Chinezen waren altijd vrij ruimdenkend als het om seksualiteit ging”, verzucht Chen, een alleenstaande 35-jarige journalist uit Peking, die als zo velen probeert zijn homoseksualiteit voor collega’s, familie en vrienden verborgen te houden. Chen doelt op een lange erotische traditie in het oude China waarin ook seks tussen twee mannen of twee vrouwen niet ongewoon was. Een traditie die bovendien rijkelijk is gedocumenteerd en geïllustreerd. Chinese homo’s en sociologen verwijzen vaak naar dat roemruchte verleden. Wat is er tussen toen en nu veranderd in het Chinese denken over homoseksualiteit? Want er is veel veranderd.

De Jezuïtische missionarissen waren oprecht geschokt toen zij enkele eeuwen geleden kennismaakten met de in hun ogen vrije seksuele moraal van de Chinezen. Er waren bordelen voor liefhebbers van vrouwelijk schoon zowel als voor liefhebbers van de herenliefde, en het was niet ongebruikelijk dat welgestelde, invloedrijke mannen innige relaties onderhielden met jonge, knappe operazangers.

Toch was er geen sprake van seksuele anarchie in het oude keizerrijk. Achter de façade van ogenschijnlijk onbekommerd vertier stak een onverbiddelijk systeem van maatschappelijke ordening. De confucianistische samenleving werd bepaald door strikte hiërarchische rolpatronen die onder meer inhielden dat een man moest trouwen en voor mannelijk nageslacht moest zorgen, uit piëteit jegens de voorouders. Wanneer men zich niet van deze familiale plicht kweet, beging men een doodzonde. Seksualiteit binnen het huwelijk had dus bovenal een sacrale functie, en buitenechtelijke escapades waren per definitie Spielerei. Daar stond tegenover dat zolang werd voldaan aan de maatschappelijke norm, er geen noemenswaardige morele of ethische bezwaren kleefden aan amoureuze uitstapjes – voor wie het zich kon veroorloven. En daarbij werd geen bijzonder onderscheid gemaakt tussen erotisch verkeer met iemand van het andere dan wel hetzelfde geslacht.

Met de stichting van de Volksrepubliek in 1949 kreeg de Chinese samenleving te maken met radicaal nieuwe normen. De communistische ideologie was normbepalend voor alle aspecten van het maatschappelijke én het persoonlijke leven. Spielerei in enigerlei vorm was uit den boze, en ook de liefde werd een serieuze aangelegenheid. De enige passionele gevoelens die men geacht werd te hebben waren die van revolutionaire bezieling: seksualiteit was slechts een middel om nieuwe revolutionairen voort te brengen. Wie zich liet leiden door lust en zich overgaf aan buitenechtelijke, onfunctionele seks werd bestempeld als reactionair element. Net als eenieder die normafwijkend gedrag vertoonde.

Pas in de jaren ’80, toen de storm van de revolutie was gaan liggen en China met economische hervormingen en de openstelling voor het buitenland een nieuwe koers ging varen, veranderde de verhouding tussen regeringsideologie en individu. Er ontstond al snel aanzienlijk meer ruimte voor het nastreven van persoonlijk geluk, bijvoorbeeld in de vorm van materiële welvaart. De combinatie van economische vooruitgang en opkomend individualisme heeft niet alleen geleid tot een bloeiende commercie, maar heeft ook de juiste voorwaarden geschapen voor het ontstaan van maatschappelijke en culturele pluriformiteit. Tegen die achtergrond zijn Chinese sociologen zich ook weer gaan verdiepen in meer dan alleen marxistische onderwerpen: onder meer het vraagstuk van seksuele identiteiten.

In 1992 verscheen de eerste studie naar de situatie van homoseksuelen in de Nieuwe Volksrepubliek China. In Hun wereld schetste vooraanstaand sociologe Li Yinhe (van de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen) een schrijnend beeld van psychische kwellingen en naargeestige ontmoetingsplekken. Veel respondenten van boven de dertig gaven aan te zijn getrouwd onder druk van hun familie – een druk die, alle revoluties ten spijt, nog altijd voortkwam uit het confucianistische normbesef dat respectvol gedrag jegens ouders en voorouders dicteert en dat voorschrijft dat mannen voor nageslacht moeten zorgen.

Tegelijkertijd had ook de nieuwe communistische ideologie een duidelijk stempel gedrukt op de maatschappij: het was inmiddels niet meer bon ton om er buitenechtelijke, laat staan homoseksuele relaties op na te houden. Veruit de meeste respondenten hadden tegen personen uit hun alledaagse omgeving nog nooit met een woord gerept over hun seksuele gevoelens, uit vrees verstoten te worden of hun baan te verliezen.

In Hun wereld breekt Li een lans voor deze beklagenswaardige gemeenschap, onder meer door in het Westen heersende opvattingen over seksualiteit te introduceren en te pleiten voor tolerantie ten aanzien van homoseksuelen. In de loop der jaren kreeg ze steeds meer bijval van collegae. Dankzij hun jarenlange inspanningen én door het inzicht dat het ontkennen van de homogemeenschap van negatieve invloed zou kunnen zijn op pogingen de aidsepidemie in te dammen, schrapte de Chinese regering uiteindelijk in 1997 een omstreden wet die ‘aanstootgevend gedrag’ strafbaar stelde en die de politie gebruikte tegen homoseksuelen die elkaar in parken ontmoetten. Een paar jaar later, in 2001, werd homoseksualiteit bij de herziening van het Chinese handvest voor de psychiatrie geschrapt als geestesziekte.

Deze besluiten hebben zonder meer een positieve uitwerking gehad op het moreel van de Chinese homoseksuelen. Maar de belangrijkste factor in hun opmerkelijk snelle emancipatieproces van de afgelopen tien jaar is de opkomst van het internet geweest. Websites voor en door Chinese homoseksuelen zijn als paddenstoelen uit de grond geschoten. Op deze sites kunnen homo’s elkaar anoniem ontmoeten, berichten uitwisselen en informatie raadplegen. In die online wereld is er voor het eerst een échte gemeenschap ontstaan, met een duidelijke identiteit en een eigen cultuur.

De homo-gemeenschap is zich daardoor ook steeds meer offline gaan manifesteren. Groepen homo’s en lesbo’s die elkaar wel eens in levenden lijve wilden ontmoeten spraken via de internetsites af in uitgaansgelegenheden, en al snel ontstonden er door het hele land hotspots waar men op bepaalde avonden van de week ook op de bonnefooi naartoe kon gaan om gelijkgestemden te ontmoeten. In grote steden werden zelfs gay bars geopend met thematische evenementen zoals schoonheidswedstrijden voor travestieten.

En zo heeft de homogemeenschap zich als groep ontworsteld aan haar ondergrondse, onderdrukte positie. Maar ‘de gemiddelde homo’ (m/v) in China brengt als individu nog altijd een strikt onderscheid aan tussen de alledaagse wereld en de homowereld waarin hij verkeert. Hij houdt zijn homoseksuele identiteit zo veel mogelijk verborgen voor familie, vrienden en collega’s, terwijl hij in de homowereld de nodige discretie betracht met betrekking tot zijn identiteit van alledag. Wanneer een argeloze buitenlander op de man af aan een Chinese homo vraagt waarom hij een dubbelleven leidt, verwijst de laatste steevast naar het traditionele besef van maatschappelijke ordening – de confucianistische norm. Wat dat betreft is er sinds Hun wereld niet veel veranderd.

Het verhaal van Zhang is typerend voor dat van veel Chinese homojongeren. Vijf jaar geleden woonde hij nog bij zijn ouders in Peking en zat hij in het laatste jaar van zijn middelbare school. Hij was achttien toen hij voor het eerst een online discussieforum voor homo’s bezocht, vanuit een internetcafé. In de zomervakantie ging hij voor het eerst naar een gay bar met vrienden die hij online had leren kennen. Zijn studententijd bracht hij door in Tianjin, in de nabijheid van Peking, maar ver genoeg van het ouderlijke gezag om zich vol overgave in de lokale gayscene te storten. Na enkele kortstondige relaties leerde hij er zijn huidige vriend kennen, bij wie hij niet lang daarna introk. Officieel (dat wil zeggen: voor zover zijn ouders wisten) woonde hij nog altijd op de campus van zijn universiteit, op een kamer met vijf andere studenten. Toen zijn vriend in Peking ging werken, hield hij zijn onderkomen in Tianjin aan als pied-à-terre. Zo konden ze samen zijn in de weekends die Zhang – vaak onder het voorwendsel van orkestrepetitie – niet bij zijn ouders in Peking doorbracht. Inmiddels is Zhang afgestudeerd en werkt hij als dj bij een radiostation in Tianjin, waar hij nu een eigen appartement heeft. Hij heeft zijn ouders nog altijd niet verteld dat hij een vriend heeft en is dat ook niet van plan, maar hij denkt dat ze wel een vermoeden hebben. Geen van hen brengt het onderwerp ter sprake, en Zhang verwacht dat hij binnen vijf tot tien jaar getrouwd zal zijn en een kind zal hebben. Daarnaast hoopt hij dat de relatie met zijn vriend, voor wie de toekomst er ongeveer hetzelfde uitziet, desondanks stand zal houden en misschien zelfs ooit door zijn ouders geaccepteerd zal worden.

Een groeiend aantal sociologen in China is van mening dat juist dit soort situaties moreel verwerpelijk zijn: ze leiden niet alleen tot psychisch leed bij de betrokkene, maar op den duur ook bij argeloze huwelijkspartners en eventuele kinderen. Sociologe Li Yinhe, die lid is van een adviescommissie voor overheidsbeleid, heeft dit jaar voor de derde keer een voorstel ingediend om het huwelijk voor homoseksuele koppels open te stellen, maar ook ditmaal heeft haar voorstel het niet gehaald. Intussen trouwen sommigen met een homoseksuele lotgenoot van het andere geslacht om zo, zo goed en zo kwaad als het gaat, te laveren tussen hun eigen belangen en die van hun omgeving.

Soms slaat de frustratie om in wanhoop, zoals bij de 26-jarige Xiaotian, afkomstig van het platteland van de provincie Hebei. Op 22 november probeerde hij de campus van de beroemde Tsinghua Universiteit in Peking te betreden met op zijn borst de tekst: ‘Ik ben homo en ik zoek een levenspartner’ en daaronder zijn QQ-nummer (zoiets als een MSN-adres). Nadat de toegang hem bij de zuidpoort was geweigerd, lukte het hem zónder de tekst op z’n borst wel om via de oostpoort de campus binnen te gaan. Hieruit trok hij de conclusie dat hij enkel werd geweerd omdat hij homo was, en hij deed hierover zijn beklag bij het universiteitsbestuur. De universiteit ontkende in alle toonaarden dat er sprake zou zijn van discriminatie, en hield het erop dat er blijkbaar onduidelijkheid bestond over de interpretatie van de bezoekersreglementen bij de verschillende poorten.

Het hele relaas stond aanvankelijk op de weblog van Xiaotian, maar werd na enkele dagen ook opgepikt door online nieuwsdiensten. Op het Chinese internet zijn de meningen over Xiaotians handelen verdeeld. Sommigen vinden het een ronduit domme actie, die het maatschappelijke beeld ten aanzien van homo’s eerder negatief dan positief zou hebben beïnvloed. Anderen prijzen Xiaotian juist omdat hij voor zijn rechten durfde op te komen. Hoe het ook zij, Xiaotian heeft nog steeds geen vriend.

In China lijkt maatschappelijk succes nog wel een verzachtende omstandigheid voor homoseksualiteit. Zij die voor hun seksuele voorkeur durven uit te komen, zijn vaak personen die een zelfstandig beroep uitoefenen en daarmee al een zekere status hebben verworven (bijvoorbeeld stereotypen als mannelijke visagisten en vrouwelijke kroegbazen). Als ouders trots kunnen zijn op de maatschappelijke prestaties van hun zoon/dochter, wordt het vereiste van een voorbeeldig huwelijksleven al iets minder belangrijk. Onder homoseksuele jongeren bestaat dan ook de vurige wens dat er wetgeving komt die waarborgt dat seksuele voorkeuren geen negatieve gevolgen hebben voor de carrière. Nu is het zo dat wanneer iemand door een leidinggevende met conservatieve opvattingen wordt ontslagen ‘op verdenking van homoseksualiteit’ hij/zij juridisch geen mogelijkheid heeft hiertegen bezwaar aan te tekenen.

Intussen zijn er steeds meer tekenen die duiden op maatschappelijke verandering. Zo worden sinds een jaar of vijf in verschillende Chinese steden festivals gehouden waarin de homocultuur centraal staat. Deze festivals hebben weliswaar geen officiële status – in Peking is de laatste poging tot het organiseren van een groot festival met films, optredens en debatten op het laatste moment door de politie verhinderd – ze tonen wel aan dat er een groeiende maatschappelijke bereidheid bestaat om deze subcultuur te erkennen en te omarmen. Zowel onder de organisatoren als de bezoekers van deze festivals bevinden zich namelijk opmerkelijk veel ‘niet-homo’s’, zoals zij in die context vriendschappelijk worden aangeduid. Bovendien zijn de media wel degelijk geïnteresseerd in deze festivals. Naar aanleiding van het politieoptreden zijn er zelfs in enkele kranten voorzichtig vraagtekens geplaatst bij de beslissing om zo’n onschuldig burgerinitiatief van hogerhand af te gelasten.

De officiële lijn is moeilijk te peilen. De Chinese overheid verleent weliswaar steun aan organisaties die zich bezighouden met de positie van homoseksuelen, maar wanneer diezelfde organisaties gezamenlijk een festival willen organiseren om op een positieve manier meer aandacht te vragen voor hun zaak, wordt hen dat belet. Als de Chinese overheid zich coulant opstelt tegenover de organisaties, lijkt dat met de aidsepidemie verband te houden. Vaak zijn ze actief op het gebied van seksuele voorlichting en dragen ze onder andere bij aan aidspreventie door het uitdelen van gratis condooms in gay bars. Maar hoewel de organisaties zelf een hoger doel nastreven – het bevorderen van kennis én tolerantie – lijkt de overheid vooral dankbaar gebruik te maken van de praktische steun aan haar eigen anti-aidscampagne, en heeft ze liever niet dat ze daarnaast ook nog een breed maatschappelijk debat aanzwengelen.

De manier waarop de staatstelevisie met het thema homoseksualiteit omgaat, is in dat opzicht veelzeggend. Toen een actualiteitenprogramma op CCTV 1 in 2005 voor het eerst uitgebreid stilstond bij de homoseksuele gemeenschap, werd dat binnen die gemeenschap opgevat als een positief signaal. Enig punt van kritiek was dat er wel erg veel en te eenzijdig nadruk werd gelegd op de aidsproblematiek. Maar toen regisseur Ang Lee – nota bene een ‘bloedbroeder’ in de ogen van veel Chinezen – het jaar daarop in de prijzen viel met zijn film Brokeback Mountain, werd uit de montage van de Oscaruitreikingen op CCTV geenszins duidelijk dat die film handelt over twee op elkaar verliefde mannen.

Voorlopig richt de homogemeenschap in China zich op ontwikkelingen die hoopvoller stemmen dan het overheidsbeleid. Elk succes wordt breed uitgemeten op de ontelbare homosites. Bijvoorbeeld toen de prestigieuze Fudan Universiteit in Shanghai in 2005 voor het eerst het keuzevak ‘homostudies’ aanbood, en daarvoor zoveel interesse bleek te bestaan dat de collegezaal te klein was. Of toen de eerste hulplijn voor ouders van homoseksuele kinderen werd geopend in Dalian door een vader die zelf de geaardheid van zijn enige zoon had leren accepteren, en wederom toen ze onlangs samen door een populaire commerciële televisiezender werden geïnterviewd. En heel recent nog, toen de eerste officiële homostudentenvereniging van China werd opgericht aan de Sun Yat-Sen Universiteit in Guangzhou.

De media pakken deze gebeurtenissen op. Bovendien past de homogemeenschap goed in de bestaande maatschappelijke trend die ‘anders-zijn’ als iets positiefs ziet. Om een voorbeeld te noemen: de winnares van een Idols-achtige show in 2005 was een stoere, ietwat jongensachtige meid over wie al maanden het gerucht ging dat ze lesbisch zou zijn, hoewel de uiteindelijke nummer twee volgens de meeste kijkers wel beter kon zingen.

Nog opmerkelijker was de uitslag van een concurrerende show in 2006, waarbij een voor Chinese begrippen behoorlijk meisjesachtige jongen die al helemáál niet kon zingen (en over wie al snel een soortgelijk gerucht de ronde deed) met zijn kleurrijke verschijning en flamboyante uitstraling blijkbaar zo veel harten wist te veroveren dat hij uiteindelijk van het sms’ende publiek de meeste voorkeursstemmen kreeg, terwijl de jury tot een andere winnaar was gekomen.

Hieruit kan men voorzichtig afleiden dat speculaties over de seksuele geaardheid van (aanstormende) beroemdheden in het hedendaagse China niet tot reputatieschade leiden. Ook niet wanneer het gaat om idolen van de oudere generatie, zoals blijkt uit de lauwe reacties wanneer er weer eens een zanger of acteur wordt ‘ontmaskerd’ door de roddelpers.

Nu moeten jongens als Zhang zich nog voldoende gesterkt gaan voelen om de laatste stap te zetten: „Pap, mam, ik moet jullie iets vertellen…”

Remy Cristini is verbonden aan het Sinologisch Instituut te Leiden en doet promotieonderzoek naar de hedendaagse homocultuur in China.

Op www.nrc.nl/ wereldmachtchina zijn eerdere delen van deze serie te lezen.