Ballon

Mag ik je even storen? Collega De Wilt houdt een ballonnetje voor mijn neus, geel, gescheurd. Ik ben ontzettend boos, zegt ze.

Ze overhandigt me twee ballonnen, één nog heel.

Ik zat een groepje uitleg geven. Harrie zat achter mijn rug ballonnen op te blazen. Ik heb hem echt gewaarschuwd op te houden. Hij luistert gewoon niet. Ik schrok me serieus bijna dood. Dat kan toch niet?

Ik roep Harrie. Een uitgestreken gezicht, pagekapsel, armen strak langs zijn lijf.

Hoe oud ben je geworden? vraag ik. Harrie gaapt me aan. Of ben je niet jarig vandaag? Nee, Harrie is niet jarig. En zijn zusje ook niet.

Maar waarom heb je dan ballonnetjes bij je?

Ik liet hem niet opzettelijk knallen, zegt hij.

Dus?

Dus is het niet mijn schuld.

Maar jij blies toch zelf dit ballonnetje op?

Dat klopt.

En mevrouw De Wilt had toch gevraagd of je geen ballonnen meer wilde opblazen?

Dat klopt. Maar het was niet de bedoeling dat hij knalde.

Maar hij knalde.

Dat klopt.

Dus ben jij daar verantwoordelijk voor toch?

Nee. Ik deed het niet opzettelijk. Die ballon was slecht.

Je moet advocaat worden, zeg ik. Maar wie een ballon opblaast hoewel dat niet mag, krijgt straf. Jij ook. Je moet doen wat je gevraagd wordt.

Harrie zwijgt.

Eerlijk, zeg ik, ik weet het even niet. Welke straf staat er op ballonnetje laten knallen. Je bent zestien toch?

Harrie knikt.

Strafregels schrijven? Nablijven?

Ik wil best nablijven als u dat wilt, zegt Harrie.

Waar het eigenlijk om gaat is dat mevrouw De Wilt zo is geschrokken.

Zie ik een lachje om Harrie’s mond?

Ik heb een idee, zeg ik. Je gaat haar je verontschuldigingen aanbieden.

Harrie knikt.

Als het je tenminste echt spijt. Als dat niet zo is, wees dan eerlijk en blijf na.

Harrie kiest voor excuses. Ik vind het erg dat ze zo schrok, zegt hij.

Goed, zeg ik. Vandaag doen. En ik wil van je horen hoe dat gesprek ging.

Harrie vertrekt, ik loop de gang op. Daar zit een clubje zesdeklassers. Ze dragen kleurige feesthoedjes. Op de grond ligt feeststrooisel.

Hebben jullie geen les? vraag ik.

Les? Tussenuur! Maar ziet u het niet? Manon is jarig.

Ik zie een blij kind.

Feliciteert u haar niet? Krijg ze niets van u? Ik voel in mijn broekzak een corpus delictum. Ik aarzel. Een ballon voor Manon?

Gefeliciteerd, zeg ik. Alsjeblieft.