‘Zet nooit Made in Palestine op de verpakking’

De Palestijnse economie is stilgevallen. Razendsnel stapelen de problemen zich op. Het grootste probleem is de Israëlische bezetting, maar Hamas is een even grote ramp, zeggen Palestijnse ondernemers.

Raslan al-Natsheh beschildert in de familiefabriek in Hebron, op de westerlijke Jordaanoever, een glazen bel. Christelijke parafernalia verkopen goed in Jeruzalem en overzee, mits er maar ‘Made in Israel’ op staat. Foto AFP Palestinian glass painter Raslan al-Natsheh decorates a glass bell, hand blown at his family's glass factory in the West Bank town of Hebron, 21 December 2006. Glass baubles and bells are being created and sold in Jerusalem and across the Palestinian territories for Christmas. AFP PHOTO/HAZEM BADER AFP

Arabisch is taboe, net als een verwijzing naar Palestina. Engels is verplicht, Hebreeuws een aanbeveling. Waleed Dereyeh, algemeen directeur van Al-Waleed Stone and Marble Company ten zuiden van Betlehem, legt zijn tricks of the trade uit als hij marmer en steen via Israël exporteert naar de Verenigde Staten.

„Zet nooit Made in Palestine, altijd Made in Betlehem, The Holy Land, op de verpakking en de vrachtbrieven. Een Arabisch woord, één letter, één verwijzing naar Palestina, en het gaat beslist mis. Je kan er dan net zo goed Made by Terrorists of Hamas op schrijven... Je lading raakt zoekt, beschadigd of blijft wekenlang staan op een pier”, vertelt hij in zijn kantoortje, dat is geïsoleerd tegen het gegier van de steen- en marmerzagen in de fabriek bij Beit Fajjar.

Ibrahim Ciacaman, directeur-mede-eigenaar van de grootste Palestijnse producent van christelijke parafernalia, Il Bambino aan het Kribbeplein in Betlehem, is nog pragmatischer. Aan zijn olijfhouten kerststallen, kamelen, kruisen, allemaal met de hand gesneden, wordt het kaartje met de tekst Made in Betlehem, Israel of nog eenvoudiger Made in Israel gehangen. „Daar zijn ze in de VS gek op en het scheelt enorm veel problemen”, weet Ciacaman.

In het textielatelier van Tareq Sous liggen bij grote stapels witte onderbroeken (voor grote vrouwen en mannenmaten) labels klaar met Engelse en Hebreeuwse herkomstteksten en de cijfers voor de maten. Achter in het atelier naaien moslimvrouwen de lange trouwjurken voor orthodoxe joodse vrouwen in Israël, de Verenigde Staten en België in elkaar. Zijn bedrijf werkt hoofdzakelijk voor de grote Israëlische mode- en textielhuizen (Castro, Honigman, Discreet), die de productie hebben verplaatst naar de Palestijnse gebieden, maar daar geen ruchtbaarheid aan willen geven. „Ik heb er geen probleem mee, ik werk graag met de Israëliërs”, zegt Sous, een van de weinige Palestijnen die nog wekelijks in Tel Aviv komen.

Nationale fijngevoeligheden zijn aan deze Palestijnse zakenlieden niet besteed, zeker niet in tijden van zeer zware tegenwind. De Palestijnse gebieden – de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook – vormen met delen van Irak de enige regio in het Midden-Oosten waar bedrijvigheid en productiviteit dalen in plaats van sterk te stijgen. In Israël, Jordanië, Egypte en zelfs Libanon groeien de economieën met rond de 4,5 tot 5 procent, in de Palestijnse gebieden krimpt de economie met 18 procent in 2006 en „zeker 15 procent” (Palestijnse Monetaire Autoriteit) in 2007.

Volgens recente rapporten van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds is dat het directe gevolg van de sinds 2000 aanzienlijk verscherpte Israëlische veiligheidsmaatregelen en de verkiezing van het moslimfundamentalische Hamas een jaar geleden.

Israël acht de verscherpte maatregelen noodzakelijk om Palestijns terrorisme te bestrijden. Als gevolg van de Israëlische controle over het Palestijnse verkeer van kapitaal en goederen is aansluiting van de Palestijnse economie bij de wereldeconomie op korte en middellange termijn onmogelijk geworden. [Vervolg PALESTIJNEN: pagina 10]

PALESTIJNEN

‘Ik blijf graag zaken doen met Israël’

[Vervolg van pagina 9] Niet alle Israëlische maatregelen zijn ingegeven door veiligheidsoverwegingen. Het besluit om het systeem van werkvergunningen voor Palestijnen in 2008 volledig te beëindigen heeft een sociaal-economische achtergrond. Op die manier worden Israëlische bedrijven gedwongen Israëliërs in dienst te nemen en daalt de werkloosheid, was de argumentatie. Deze beslissing, die nu geleidelijk wordt uitgevoerd, heeft vooral de Gazastrook hard getroffen. In betere tijden was de Gazastrook voor 69 procent afhankelijk van de inkomsten van de Palestijnse arbeiders in Israël.

De Palestijnse economie is sinds 2006 vrijwel tot stilstand gekomen en de internationale boycot van de Palestijnse Autoriteit sinds de verkiezing van Hamas heeft daarnaast nog gezorgd voor een financiële crisis.

De werkloosheid is opgelopen tot 35 procent op de Westoever en 65 procent in de Gazastrook. Bijna de helft van de 3,2 miljoen Palestijnen leeft onder de armoedegrens van ongeveer 2 dollar per dag. Tientallen bedrijven sluiten al dan niet tijdelijk of zijn verhuisd naar Jordanië, Egypte, Tunesië en zelfs Cuba. Het aantal jonge, aan universiteiten en hoger beroepsopleidingen afgestudeerde Palestijnen dat de gebieden wil verlaten, is gestegen van 22 tot 44 procent.

Volgens de Wereldbank is er sprake van „de-industrialisatie” en het ontmantelen van alle structurele verworvenheden van de jaren negentig van de vorige eeuw.

Volgens het IMF is het beheer van de openbare financiën „gedesintegreerd”. De 165.000 ambtenaren hebben sinds een jaar minder dan 40 procent van hun salaris ontvangen. Het begrotingstekort is als gevolg van wanbeheer en sterk gestegen werkloosheidsuitgaven dramatisch gestegen tot bijna 30 procent van het bbp. Een begrotingscrisis die verdiept is door de blokkade van de overboeking van Palestijnse douanegelden die door Israël worden geïnd.

De 700 miljoen dollar (533 miljoen euro) internationale steun gaat via speciale, tijdelijke financieringsmechanismen rechtstreeks naar ambtenaren, werklozen, ziekenhuizen en scholen en wordt dus niet aangewend voor productieve, maar uitsluitend voor consumptieve doelen. Door die steun wordt voorkomen dat er een humanitaire crisis uitbreekt. Het aantal Palestijnen dat op basis van de speciale vluchtelingenstatus gebruikmaakt van de levensmiddelen- en medicijnenhulp van de Verenigde Naties is gestegen tot 850.000.

Voor Waleed Dereyeh zijn de voortdurende afsluitingen van de Westelijke Jordaanoever het allergrootste probleem. Met checkpoints kan hij leven, met de betonnen afscheidingsmuur tot op zekere hoogte ook, maar de afsluitingen als gevolg van terreurwaarschuwingen, joodse feestdagen en onverklaarde bureaucratische beslissingen nekken hem. Israël heeft de Gazastrook volledig afgesloten, op één in- en uitgang voor goederen na, en de Westelijke Jordaanoever verdeeld in acht min of meer geïsoleerde enclaves.

„Wij kunnen bijna nooit garanderen dat wij op een afgesproken tijd kunnen leveren”, legt Dereyeh uit. „Je wordt dan op den duur een onbetrouwbare relatie en het gevolg is dat je marktaandeel gaat verliezen.” In de jaren negentig hadden de Palestijnse steen- en marmerleveranciers wereldwijd nog een marktaandeel van 4 procent, dat is gedaald tot minder dan 1 procent.

Zijn tweede probleem vormen de kosten van verplicht zakendoen met Israëlische vervoerders en havenbedrijven. De Palestijnse gebieden zijn omgrensd door land of, in het geval van Gaza, door het verbod zee- en luchtruim te mogen gebruiken. „Een vrachtwagen met een lading steen of marmer naar Haifa, 150 kilometer hier vandaan, kost mij bijna 650 euro omdat we verplicht zaken moeten doen met een paar geselecteerde bedrijven, een vergelijkbaar transport naar Saoedi-Arabië via Jordanië kost mij 380 euro omdat ik dan zelf de goedkoopste vervoerder kan kiezen”, zegt Waleed Dereyeh. „En daar komt nog bij dat ze in de haven van Haifa om niets staken en stelen.”

Buiten, op de top van de heuvel, wijst hij naar de steen- en marmergroeven. Van de 140 ondernemingen zijn er, ook als gevolg van overnames, 90 gesloten. „De export van Palestijns steen en marmer was eens de ruggegraat van de economie hier.” 80 procent van zijn producten gaat naar Israël, waar vrijwel alle nieuwbouwwijken in Ashkelon, Ashdod en Jeruzalem worden opgetrokken uit „ons” steen. „Maar dat levert zeer weinig op, ik kan alleen overleven als we kunnen exporteren.”

Hij moet het hebben van de orders uit New York of Las Vegas, waar menig casino en hotelkamer is betegeld met Palestijns marmer, Made in Israel. Van de 60.000 banen in de steen- en marmersector zijn er nog 20.000 over, de zwaarste klappen zijn in de omgeving van Jenin gevallen.

Sinds Hamas aan de macht is in de Palestijnse Autoriteit zijn de veiligheidsmaatregelen alleen maar strenger geworden en is een nieuw probleem ontstaan. De Arabische banken verstrekken geen leningen en financieringskredieten meer aan Palestijnse ondernemers. Door de ineenstorting van het rechtssysteem en de internationale boycot wordt het risico te groot geacht. Bedrijven als de Arab Bank vrezen bovendien sancties in de VS. Zelfs de Palestijnse Investeringsbank geeft geen kredieten meer voor nieuwe investeringen.

Een familieonderneming als Il Bambino heeft betrekkelijk weinig last van deze hindernissen. Haar producten zijn seizoensgebonden – de kerststal van olijfhout, die in januari naar de VS of Europa wordt verscheept, is tijdig voor de feestdagen ter plaatse. „Op het vliegveld Ben Gurion zijn er meestal minder problemen dan in de havens”, weet Ibrahim Ciacaman. Maar hoewel hij goed verdient – een grote stal met alle elf figuren kost rond de 760 euro – is zijn bedrijf noch de houtsector een werkverschaffer van betekenis.

Dat was de textielindustrie wel, maar daar kampen ondernemers met dezelfde problemen. Daar komt nog de internationale concurrentie uit China, India, maar ook Jordanië en Egypte bij. Vijftien jaar geleden werkten nog 80.000 Palestijnen in de textiel, nu nog amper 20.000. Tachtig van hen, overwegend vrouwen die rond de 230 euro per maand verdienen, werken bij Tareq Sous. Zijn atelier in Beit Jalla ten westen van Betlehem werkt uitsluitend voor Israëlische modehuizen. „Voor grote opdrachten gaan zij naar Jordanië, maar voor de kleine orders komen zij bij mij, 1.000 bloezes, 500 jasjes, 2.000 met goudstiksel versierde T-shirts. Ik krijg de opdracht zondag en dan moet het woensdag klaar zijn.” Opdrachten plus modellen komen binnen via e-mail, het textiel wordt aangeleverd per Israëlische vrachtwagens, die de producten ook weer komen ophalen. „Zo’n vrachtwagen is binnen een uur langs de checkpoints en binnen anderhalf uur in Tel Aviv. Ik doe daar een halve dag over. Goederen gaan sneller dan mensen. Maar ik blijf graag zaken doen met Israël.”

Directeur Tareq Sous mijdt politiek getinte uitspraken. Marmerfabrikant Waleed Dereyeh, die bevriend is met Israëlische ondernemers en ministers, is minder voorzichtig: „Ons hoofdprobleem is de Israëlische bezetting, geen twijfel over mogelijk, de Israëliërs maken de economie kapot. Geen bedrijf kan overleven in bezettingstijd. Geen bedrijf kan deze kosten lang dragen. Maar de verkiezing van Hamas is voor ons een even grote ramp, ze weten niets van zakendoen en economie, ze hebben maar één agendapunt.”

Zegt hij dat ook tegen de leiders van Hamas? „Nee. Ik zeg dat tegen mijn broers, tegen mijn zoons, tegen de mensen die hier al dertig jaar werken, maar tegen Hamas kan ik dat niet zeggen.”

    • Oscar Garschagen