Ware baldadigheid

Met Ronald Plasterk krijgt Nederland een homo universalis als minister voor Cultuur. Wat hij echt gaat doen met kunst en cultuur is nog niet duidelijk, maar in zijn vrije tijd neemt hij er actief aan deel. Van Bob Dylan tot J.J. Voskuil.

Plasterk als Bob Dylan, oktober 2005 foto VPRO/ Ralf van Kouwen Kouwen, Ralf van

Wat kunnen we verwachten van Ronald Plasterk als minister van Cultuur? Zijn labcollega Edwin Cuppens heeft wel een antwoord. „Ronald houdt veel van volkscultuur, hij is een groot Ajaxfan.” Dus niet van ADO, de club waar hij als jongetje zelf twee jaar voor speelde, en de club uit de stad waar hij geboren en getogen is? Cuppens: „Nou, ik ken zijn roots niet, maar laat ik zeggen dat hij er de persoon niet naar is om om supporter te zijn van een club die niet bij de top-3 hoort.”

Als minister van OCW voor de PvdA is Plasterk waar hij wil zijn, en waar hij jaren naar toe heeft gewerkt: de politieke top. Daar wacht hem een zware taak. In de nieuwe verdeling van posten in het kabinet Balkenende-IV beheert de minister van Onderwijs ook de onderwerpen Cultuur en Media. Zaken die een handvol kabinetten lang de dagtaak van een staatssecretaris waren. Hoeveel aandacht er overblijft voor de kunsten, zal afhangen van de persoonlijke inzet en interesse van de nieuwe bewindspersoon, de hoogleraar genetica en columnist Ronald Plasterk. Wat heeft, kortom, de nieuwe minister met kunst?

Belangstelling voor cultuur heeft Plasterk zeker, maar de verwachting is dat hij vooral werk wil maken van hervormingen in het onderwijs: op dat punt is de columnist een vasthoudend en venijnig criticus geweest. In de honderden columns die hij in tien jaar schreef voor Intermediair en de Volkskrant en uitsprak voor Buitenhof ging het zelden over kunst. Het was ook geen belangrijk thema in interviews. Kunst is voor hem vooral iets wat je zelf doet. Plasterk zingt al vijftien jaar in een koor en was in 2004 een enthousiast voorzitter van de Libris-prijs. In zijn Leidse studententijd speelde hij in een bandje covers van Bob Dylan en Neil Young, hij is een fanatiek fotograaf en sinds kort is hij aan het schilderen geslagen.

Zijn gitaartechniek demonstreerde hij in een memorabel begin van een Buitenhof-column. Met een soort boswachtershoed op en zichzelf begeleidend op gitaar zong hij een stukje van Bob Dylans ‘Mr. Tambourine Man’. Het statement moest getuigen van zijn liefde voor Amerika, zodat hij vervolgens onverdacht de hoop kon uitspreken dat het land een „fatsoenlijke man” als president zou krijgen. Dat was in oktober 2005, voor de herverkiezing van Bush. Dylan was de held van zijn jeugd, vertelde hij erbij. „Ik speelde al zijn liedjes.” Een held die hij in ere hield, zo bleek. „Ik was vrijdagavond bij zijn concert in de Ahoy’ in Rotterdam. Schitterend!”

In een andere column beschrijft hij hoe hij als dertienjarige liedjes van de top-40 opnam met zijn bandrecorder – het geld van de aanschaf verdiend met het verpatsen van zijn Märklin-trein. Hij noemt liedjes van Dylan, de Stones, de Beatles en Procol Harum – Plasterk is van 1957. Maar via zijn twee tienerzonen komt Plasterk nog in aanraking met hedendaagse popmuziek. Collega Cuppens: „Met hen is hij vorige zomer naar Lowlands geweest, waar ze onder meer Marilyn Manson hebben gezien. Dat is toch vrij heftig.”

Zijn zangrepertoire verlegt Plasterk in

de loop der jaren naar klassieke muziek. Al ruim tien jaar zingt hij bij KCOV Excelsior, een Amsterdams koor. Thijs Kramer is de vaste dirigent. Kramer: „Hij is nu erg druk. De laatste jaren komt hij alleen repeteren als we de Matthäus Passion gaan uitvoeren. Daar is hij ieder jaar bij.” Plasterk beschikt over een „een slanke tenorstem”, zegt Kramer. „Bewegelijk, zonder uitstulpingen, kortom een mooie stem.” Volgens Kramer is Plasterk muzikaal onderlegd. Hij kan noten lezen en heeft ook een tijd lang gezongen bij Fioretto, een vocaal ensemble met een wat kleinere bezetting.

Van de kunsten is literatuur zijn ware liefde: „Boeken, literatuur, houdt hij zoveel mogelijk bij, hij leest ook wel detectives. Televisie? Alleen de nieuwsrubrieken”, aldus zijn vrouw Els in deze krant, in 2002. Zijn voorzitterschap van de Libris-prijs begeleidde hij met columns waarin hij lezers opriep „mee te lezen” en met korte recensies van de zes boeken van de shortlist. Dat viel niet overal in goede aarde. Collega Kees Fens hekelde zijn arbeid „als apostel van de leesbevordering” en schreef: „Zulke gekuifde ijdelheid is bij mijn weten in de wereld van prijzen en jury’s nooit eerder vertoond.”

Medejurylid Margot Dijkgraaf viel op hoe leergierig Plasterk was. „De juryvoorzitter is een publiek persoon die geen inhoudelijk oordeel hoeft te geven. In principe leest zo iemand hoogstens de boeken die op de longlist staan. Maar Plasterk las bijna alles vanaf het begin af aan, ook al wist hij niet veel van literatuur af . Hij was erg gemotiveerd, kwam bij alle vergaderingen en had bovendien een duidelijke mening die hij liet meewegen.”

Idolaat is Plasterk van J.J. Voskuil. Aan elk boek dat deze schrijft wijdt hij een column: de zeven delen van Het Bureau en Requiem voor een vriend. Zo noemt hij deel 5 „weer schitterend”: „Als vanouds is er de humor, de fraaie timing in de dialogen, zijn er verstilde en veelbetekenende eindes van paragrafen.” Voskuil hoort voor hem in het rijtje Grote Schrijvers: Nescio, Elsschot, Reve , Hermans.

Plasterk kan ook uithalen naar schrijvers. „Het leven is echt te kort om boeken van Joost Zwagerman te lezen. Wat een tuttig doorzonproza.” De boeken van Mulisch zijn „prut”: „De pretentie, de onoprechtheid, de mooischrijverij: gecoiffeerde literatuur.” Rituelen van Cees Nooteboom vindt hij „zo’n van symbolen drachtig pseudo-diep en overdreven bedacht trutboek”. Dan heeft A.F.Th. van der Heijden nog geluk. Plasterk bekent na drie delen van zijn De tandeloze tijd te zijn afgehaakt, „omdat ik er geen enkele sympathieke persoon in kon ontdekken”.

In 2003 bespreekt hij het boek dat de Booker Prize won, Life of Pi van Yann Martel, als ‘de bijbel van het ietsisme’. Van dat woord – voor hen die niet in god geloven, maar wel tobben: „Ik denk toch wel dat er iets is, ja” – is hij in 1997 de bedenker. Bezig zijn met taal noemt hij een van de drijfveren om columns te willen schrijven.

Op de vraag of de columns niet ten koste gaan van zijn wetenschappelijk werk, antwoordt hij in 2003: „Zoals het nu loopt, gaat het nog wel. Het is soms moeilijk om ijdelheid en plichtsbesef uit elkaar te houden.” Zijn voorbeelden als columnist zijn Gerrit Komrij en Karel van het Reve. Hofland en Heldring zijn naar zijn smaak niet uitgesproken genoeg. „Je moet wel de kogel durven doorbijten.” Favoriet mikpunt zijn filosofen en ethici, van Fukuyama tot Heleen Dupuis. Ook de partijen uit het vorige kabinet krijgen er steevast van langs. Ook dat is voor Plasterk blijkbaar een vorm van durven: meeschrijven aan het partijprogramma van de PvdA, maar denken dat het geen probleem is voor je onafhankelijkheid als criticus.

Ware baldadigheid etaleert

Plasterk als hij Herman Heinsbroek aanvalt, die voor hij LPF-minister wordt fortuin vergaarde als directeur van muziekuitgeverij Arcade. Plasterk spreekt van „muziek-penose”, die met illegale afspraken de prijzen hoog hield en van „idiote opbrengsten” van cd’s. Dat brengt hem ertoe goedkope, beschrijfbare cd’s aan te bevelen: „Bij een bedrijf als www.opus.nl kosten ze 39 cent per stuk, en die doen het prima, er gaat tachtig minuten muziek op.” En zelfs de weg te wijzen naar gratis software op het net voor speelfilms: „Met mpeg-2 compressie maakt u een zogenaamde SVCD (Super Video CD).”

Theater en beeldende kunst spelen geen rol in zijn cultuurconsumptie, hij schrijft of spreekt er althans niet over. Een uitzondering is een column over Freek de Jonge, een „teloorgegane liefde”. Als jonge jongen bezoekt hij een voorstelling van Neerlands Hoop in Diligentia: „Ik was totaal verkocht. Zo had ik nog nooit gelachen. (...) Hij ontregelde je mening, en steeds als je dacht dat je hem doorhad was hij alweer verder.”

Zelf schildert hij sinds kort, zegt zijn goede vriend Paul Bordewijk. „Portretten, naar foto’s. Realistisch werk. Niet meteen geschikt om in een galerie op te hangen, maar hij heeft er zelf veel plezier in.” Plasterk is altijd aan het fotograferen, aldus Edwin Cuppens, hoofd van een onderzoeksgroep op het Hubrecht Laboratorium waar Plasterk directeur is. „Al zijn collega’s hier op het lab zijn honderden keren door hem gefotografeerd, het liefst in actie. Hij heeft ook een voorliefde voor technische snufjes, dus zodra er een nieuwe lens uit is, moet hij die uitproberen.” Van die foto’s komen weer schilderijen. „In de gang hangt een dubbelportret van Watson en Crick, de ontdekkers van de dubbele helix van DNA. Erg indrukwekkend.”

Uit alles blijkt dat Plasterk veelzijdig en breed geïnteresseerd is. De vraag is of het niet te veel is. En is Plasterk niet te dwars en eigengereid om minister te zijn? „Dat is een publiek vooroordeel”, zegt Cuppens. „Ik heb zeven jaar nauw met hem samengewerkt, en over wetenschappelijke en politieke onderwerpen verschilden we zeven van de tien keer van mening. Dat deelden we met elkaar en dan lieten we het lopen. Hij is iemand die vertrouwen heeft en vertrouwen geeft.”

Volgens collega-hoogleraar Piet Borst,

heeft Plasterk het talent om mensen te verenigen. Borst werkte jarenlang samen met Plasterk op het Nederlands Kanker Instituut. „In de periode hier heeft hij soms met zeer lastige mensen moeten samenwerken. Hij heeft indertijd het Centre for Biomedical Genetics opgezet, en daarin zit de top-15 van de Nederlandse moleculair biologen. Dat zijn grote ego’s die hij op een meesterlijke manier op één spoor heeft weten te brengen.”

Zijn wetenschappelijke achtergrond zal hem als minister juist van pas komen, meent Borst: „Hij zal nooit roepen: ‘Ik heb gelijk, ik heb gelijk’, zoals de meeste politici doen. Hij is juist in staat om goed naar mensen te luisteren en om, over ingewikkelde kwesties, compromissen te sluiten.”

Er komt geen probleem, denkt ook vriend Bordewijk, die geregeld met hem belt en die al die jaren zijn columns las voor Plasterk ze publiceerde. „Hij was een van de auteurs van het PvdA-partijprogramma en daarbij heeft hij een bindende rol gespeeld.” In het kabinet krijgt de atheïst te maken met collega’s met opvattingen die lijnrecht tegenover de zijne staan, maar „hij kan coöperatief zijn als het moet”, denkt Bordewijk. „Hij denkt snel, heeft veel energie. Als er veel van hem wordt gevergd raakt hij niet gestrest. Hij blijft toegankelijk. Tijdens het doen van zijn promotieonderzoek stapte hij in de Leidse gemeenteraad. Iedereen raadde het hem vanwege de zware belasting, maar hij deed beide voortreffelijk.”

Schrijver Abdelkader Benali, die hem ook leerde kennen als jurylid van de Libris-prijs, beschouwt Plasterk als iemand die zich razendsnel verdiept in onderwerpen waar niets vanaf weet. „Het zou me niet verbazen als hij nu, omdat hij niks van abstracte kunst afweet, 25 galeries gaat bezoeken om bij te leren.” Verder denkt Benali dat Plasterk cultuur een warm hart toedraagt. „Hij zal ongetwijfeld maatschappij en cultuur met elkaar in verbinding brengen.”

De kunstwereld en kunstbeleid vormen geen onderwerp van gesprek, zeggen vrienden en collega’s. Wat de kunstwereld van hem moet verwachten, is afwachten. Gelooft hij bijvoorbeeld in gratis musea? Wil hij dat etnische minderheden meer aan kunst doen? Gaat hij de amateurkunst stimuleren, zoals in het regeerakkoord staat? Is hij iemand van „publieksverbreding”, de nieuwe term voor het ouderwets progressief ideaal van verheffing van het volk? Het enige wat voor de hand ligt, is dat hij op afstand zal besturen. Zo ongeveer zoals zijn voorgangster Maria van der Hoeven dat deed toen zij de portefeuille van de afgetreden staatssecretaris voor Cultuur en Media, Medy van der Laan, erbij ging doen.

Maar voor wie nieuwsgierig is naar

hoe Plasterk zich ten aanzien van subsidies en bezuinigingen op kunst zou kunnen opstellen is een column uit september 2004 veelzeggend. Het laat ook zien hoe Plasterk redeneert. In die column richt hij zich tegen een groep prominente briefschrijvers onder aanvoering van Hans van Mierlo, die protesteert tegen de voorgenomen bezuiniging op de kunst van 5 procent. Weliswaar oppert hij allereerst dat er „goede redenen voor steun aan kunst” kunnen zijn. Vier zelfs: „Behoud voor toekomstige generaties (te vergelijken met het beschermen van de neushoorn).” De „kostenstructuur”: het kost nog meer als in slechte tijden de sector ‘omvalt’. Verder heeft kunst een positief economisch effect, op bijvoorbeeld toerisme. En ten slotte noemt Plasterk „het pedagogische argument dat de bestuurlijke elite ervoor moet zorgen dat het volk via belasting de kunst voor het volk toegankelijk houdt, want je wordt een beter mens van opera.”

Maar dat is allemaal niet overtuigend genoeg om tegen bezuinigingen te zijn, stelt hij. De regering moet de noodzaak van abstracte schilderkunst afwegen tegen het billen wassen van demente bejaarden, volgens Plasterk, en dan is het „heel wijs” van de regering om algemene bezuinigingen ook op kunst toe te passen.

Hoe dubbelzinnig zijn houding ten opzichte van de kunst is, etaleert een vergelijkbare column in 2004. Hij schrijft met een ‘brainstormgroepje’ na te denken over de viering van het tweehonderdjarig bestaan van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW) in 2008. Of het niet aardig zou zijn de schone kunsten weer bij de academie te halen, die er door Thorbecke uit zijn gezet. Dan komen er honderd leden bij. Maar, overweegt de auteur hardop: bestaat de mens die kunst én wetenschap belichaamt nog wel? Waarop de uitsmijter volgt: „We kunnen ook honderd voetballers erbij halen.”

Misschien zou zelfs dát hem lukken. Plasterk is succesvol in alles waar hij aan begint, zeggen vrienden en collega’s. Misschien is hij zelf wel die laatste homo universalis waar hij in zijn column op doelt.

Het is bijna te veel, bijna eng. Cuppens: „Een zwakte is hoogstens dat hij denkt alles aan te kunnen. Maar tot nu toe was dat terecht.” Borst: „Veel mensen vinden mij te kritisch of een zeur, maar over Ronald kan ik werkelijk niks negatiefs bedenken. Ik ben dol op hem. Zelfs het voorzitterschap van de tennisclub waar wij inzaten, deed hij goed. Hij is iemand die vijf dingen tegelijk kan doen en alles ook goed doet. Voor sommige mensen is dat misschien heel irritant: een wereldberoemde wetenschapper die ook nog goede columns schrijft en de politiek in gaat. Die reageren dan zuur, maar dat is gewoon afgunst.”

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Ware baldadigheid (16 februari, pagina 17) staat dat Ronald Plasterk een stukje ‘Mr. Tambourine Man’ zong als begin van een Buitenhof-column in oktober 2005, voor de herverkiezing van Bush. Bush’ herverkiezing was echter in november 2004.