Vandaag was de ergste dag

Bagdad wordt dagelijks geteisterd door aanslagen.

Tussen de explosies in proberen gewone mensen hun leven te leven, zoals Eskander.

Het was vorige week donderdag weer een zwarte dag voor Saad Eskander, de Koerdische directeur van de Iraakse Nationale Bibliotheek en Archieven (INLA) in Bagdad. Opnieuw werd één van zijn medewerkers ontvoerd. Met de moed der wanhoop poogt Eskander hem te redden. „Diep in mijn hart wist ik dat het te laat was”, schrijft hij in zijn digitale dagboek. „Een uur later hoorde ik van verschillende bronnen dat mijn bibliothecaris was geëxecuteerd en dat zijn lichaam was gedumpt in een verlaten steeg. We waren er allemaal kapot van.”

Doorgaans heel droog beschrijft Eskander de lotgevallen van zichzelf en zijn ruim vierhonderd personeelsleden in zijn dagboek. Eerst werden de notities door bevriende Amerikaanse collega’s in kleine kring verspreid, maar sinds eind december is het dagboek op de website van de British Library te lezen. Om de paar weken mailt Eskander nieuwe fragmenten. Het fragment van 8 februari is overigens alleen nog door een Amerikaanse kennis verspreid.

Op de ochtend van die dag gingen tegen Eskanders uitdrukkelijke advies in twee van zijn medewerkers, een sunniet en een shi’iet, op zoek naar een vermiste collega die mogelijk bij een bomaanslag was gedood. „Ongeveer een uur later zag ik juffrouw B. huilen”, schrijft hij. „Ik vroeg haar waarom ze huilde. Ze antwoordde dat al-Mujahdeen (één van de gewapende milities, red.) haar had gebeld dat de sunniet ontvoerd was in de wijk Al-Sadriya.”

Meteen kwam Eskander in actie, zoals hij dat de afgelopen maanden zo vaak heeft moeten doen voor zijn personeel. Hij belde allerlei contacten, maar tevergeefs. Tot zijn verrassing dook de sunniet even later ongedeerd op. De ontvoerders bleken zelf juist sunnitisch te zijn geweest. Niet hij, maar de shi’itische collega verkeerde in levensgevaar. „Ik voelde meteen dat ik niet genoeg tijd had het leven te redden van mijn shi’itische bibliothecaris”, schreef Eskander. Zijn instinct bleek hem niet in de steek te hebben gelaten.

De British Library is zeer begaan met het lot van Eskander en zijn mensen. „Wij voelen ons verbonden met de Nationale Bibliotheek in Bagdad omdat het een zusterorganisatie is”, zegt Andy Stephens, die voor de British Library de internationale contacten behartigt. „Daar komt nog bij dat Eskander zelf aan de London School of Economics heeft gestudeerd en van de befaamde leeszaal in het British Museum gebruik maakte.”

In de chaotische dagen na de komst van de Amerikanen in 2003 liep de INLA forse schade op, doordat er brand werd gesticht en geplunderd. Veel oude manuscripten en boeken gingen verloren, evenals het merendeel van de archieven over het tijdperk van Saddam Hussein.

Toen Eskander in 2004 directeur was geworden, haalde hij de banden met de British Library aan. De Britten verschaften hem op zijn verzoek op microfilm boeken en documenten over Irak uit hun collecties, ter vervanging van verloren materiaal.

In zijn dagboek, dat tot november teruggaat, beschrijft Eskander hoe hij en zijn staf in steeds moeilijker omstandigheden proberen de bibliotheek en de archieven draaiende te houden. Af en toe komt het gebouw onder vuur; hij heeft de bibliotheek al eens voor enkele weken moeten sluiten. Maar als het even kan, werken hij en zijn staf door om het studenten en onderzoekers mogelijk te maken op hun beurt hun werk voort te zetten.

Makkelijk is dat niet. Neem zijn aantekeningen van 31 januari: „Een enorme explosie deed ons gebouw schudden. Ik haastte me naar de tweede verdieping en zag een dikke zwarte rookwolk opstijgen uit een auto op de rotonde van Al-Bab al-Mudham (zo’n 200 meter van het INLA-gebouw). Ik gelastte de veiligheidsdienst ervoor te zorgen dat niemand het gebouw zou verlaten, uit vrees dat er nog een autobom zou kunnen zijn. Ik hoorde later dat ongeveer 15 mensen waren gedood of gewond bij de ontploffing.”

Eskanders dagboek vindt veel weerklank. „Ik bracht vandaag verscheidene uren op de universiteitsbibliotheek door”, aldus een reactie van W.M. Leons van de Universiteit van Toledo in het Amerikaanse Ohio op de website van de British Library. „En toen ik dit zojuist las, vroeg ik me af wat we in de toekomst kunnen doen om te helpen en ik moest huilen.”

Anderen prijzen de moed van Eskander en zijn medewerkers. „Wanneer je ziet wat deze man doet, wordt het allemaal heel aanschouwelijk wat er in Bagdad gebeurt”, zegt Stephens van de British Library.

Neem Eskanders relaas van 20 november. „Het was verreweg de ergste dag van het jaar”, zo begint hij die dag zijn dagboek. Hij is nog niet op kantoor of hij hoort daverende ontploffingen, gevolgd door zware mortierbeschietingen tussen shi’itische en sunnitische extremisten in de buurt. „Mijn secretaresse was enigszins ontsteld, omdat twee bommen op zeventig meter van haar auto terecht kwamen. Evenals andere mensen sprak ze twee minuten over het incident om daarna weer met haar dagelijkse werk door te gaan.” Die ochtend krijgt het personeel salaris uitbetaald. „Ik [...] praatte met veel medewerkers. Ik doe mijn best hun moreel hoog te houden.”

Maar het is vechten tegen de bierkaai. „Om 11.00 uur ontving ik verpletterend nieuws. Ik kreeg te horen dat Ali Salih was vermoord terwijl zijn jongere zus naast hem stond.” Ali was een slimme jonge medewerker, die door Eskander naar Florence was gestuurd voor computertraining. „Hij was het symbool van de modernisering en het hervormingsproces van de Nationale Bibliotheek en Archieven”, schrijft Eskander. Alle mensen die Ali kenden zaten op kantoor te huilen. „Ik ging heel gedeprimeerd naar huis. Ik omhelsde mijn zoontje van zes maanden oud en dacht er aan dat Ali ook twee zoons naliet, van zes maanden en van drie jaar oud.”