Tatoeage met naam pooier zegt: afblijven

Vorige week rolde de politie een internationaal netwerk van vrouwenhandelaren op.

Kopstukken van de bende waren in 2003 al eens opgepakt, blijkt uit een boek.

Ruth Hopkins was ietwat verbaasd toen ze hoorde dat de politie vorige week een internationaal netwerk van vrouwenhandelaren had opgerold. De Amsterdamse journaliste had er niet op gerekend dat de bende nog zou worden opgepakt.

Hopkins deed enkele jaren onderzoek naar de handel in vrouwen. De kopstukken van het opgerolde netwerk, de Turkse broers Halit en Nejat en hun neef Serdar, figureren prominent in haar boek Ik laat je nooit meer gaan. Delen werden in 2005 gepubliceerd in het maandblad M van NRC Handelsblad .

Uit het boek blijkt dat de kopstukken van de bende in 2003 al eens opgepakt zijn door de Amsterdamse politie. Het onderzoek werd echter na een half jaar stopgezet, meldt Hopkins. De Turken konden doorgaan met hun praktijken.

Tot vorige week woensdag. Toen pakte de nationale recherche de twee broers en tien van hun handlangers alsnog op. Dat was het resultaat van een in het voorjaar van 2005 ingesteld nieuw onderzoek, onder de codenaam Sneep.

Ruth Hopkins wist niet dat het nieuwe onderzoek liep, geeft ze toe. Ze is aangenaam verrast door de aanhoudingen. Hopkins: „Ik vind het prima dat ze deze types pakken. Daar moet je keihard tegen optreden”.

Afgelopen twee jaar heeft de recherche „eindeloos” telefoongesprekken getapt en verdachten geobserveerd. Dat was nodig omdat de betrokken vrouwen vaak geen aangifte doen, uit angst voor represailles.

De uit Istanbul afkomstige broers streken in 1998 in Amsterdam neer. Nejat had hersenen, schrijft Hopkins. Zijn broer Halit was een twee meter lange kleerkast. De eerste tijd werkten ze met twee vrouwen vanuit hotel Mevlana aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Later kwamen meer vrouwen, vooral uit Oost-Europa. Volgens justitie dwong de bende zeker negentig vrouwen tot prostitutie in Amsterdam, Utrecht en Alkmaar. De bende incasseerde hun inkomsten.

De vrouwen werkten onder bedreiging van fors geweld, volgens Hopkins. Over de werkwijze van de bende schrijft ze: „Je zag steeds meer vrouwen met Halit, Nejat of Serdar op hun lichaam getatoeëerd. Dat was een signaal voor andere pooiers: afblijven.”

Hopkins is in haar boek kritisch over de aanpak van politie en Justitie. Ze beschrijft hoe de Turken, geholpen door een groep Duitsers, jarenlang hun gang konden gaan in Amsterdam. De journaliste liep, voor het schrijven van haar boek, enige tijd mee met twee brigadiers van de politie. Zij hielden toezicht op de Wallen. Deze agenten vertelden honderduit, ook over het gebrek aan steun vanuit de leiding. De twee brigadiers kregen in december vorig jaar voor hun werk de Clara Meijer-Wichmann Penning 2006. De prijs is een initiatief van de Liga van de Rechten van de Mens.

De Amsterdamse hoofdcommissaris Bernard Welten sprak bij de uitreiking kritisch over het boek. „Ik vond sommige passages in het boek van Ruth Hopkins niet aangenaam. Er zijn uitspraken over de leiding van de Amsterdamse politie gedaan die op z’n zachtst gezegd weinig vleiend waren. Bovendien herken ik mij absoluut niet in het beeld dat van de Amsterdamse zedenpolitie is geschetst.”

Welten meldde ook dat prostitutie en mensenhandel door gemeente, OM en politie tot speerpunten zijn gemaakt. De gemeente is inmiddels op de Wallen een actie begonnen tegen criminele huiseigenaren. „Ook de mensenhandelaren zullen dat merken”, beloofde Welten.

Hopkins: „Ik vraag me wel af wat er nu met die vrouwen gebeurt. In het verleden zijn aangiften en verklaringen van zulke vrouwen gebruikt om een crimineel netwerk veroordeeld te krijgen. Daarna zijn de vrouwen teruggestuurd naar landen waar netwerkresten nog actief waren. Ik hoop dat dit deze keer voorkomen wordt.”