Rollende toonladders in Orgelpark Amsterdam

Concerten: Jos van der Kooy, Jan Hage en Hayo Boerema (orgel). Werken van o.a. Guilmant, Karg-Elert, Elgar, Roffel, De Roo en Blanker. Gehoord: 13/2 en 15/2 Orgelpark, Amsterdam.

‘Candidly, a village organist could not have done half so badly’, schreven ze in de VS over de Duitse organist/componist Sigfrid Karg-Elert (1877-1933). In zijn thuisland had hij flink opgeschept over zijn overzeese ‘successen’, en dat moest, vond men in de VS, toch even wordfen gecorrigeerd. Karg-Elert was als zelfbenoemd orgelvirtuoos namelijk finaal afgegaan: hij bleek nauwelijks te kunnen spelen. Door zijn charlataneske gedrag raakte hij ook als componist snel in de vergetelheid.

Onterecht, zo bleek dinsdag in het Orgelpark, de onlangs geopende concertzaal voor orgelmuziek naast het Vondelpark in Amsterdam. Op het laatromantische Sauer-orgel liet Jos van der Kooy de Trois impressions op. 72, in ingetogen, pastelachtige registers opbloeien. Door de vele improvisatorische elementen – sequensen, orgelpunten – leek het bovendien onwaarschijnlijk dat Karg-Elert de stukken ooit kon schrijven zonder er zelf (redelijk goed) bij te spelen.

De werken van Elgar en Guilmant die Van der Kooy speelde – vingertechnisch soms wat nonchalant, maar met gevoel voor kleur en dosering – leken ook gekozen om het Sauer-orgel met zijn ‘natuurlijke’ repertoire te kunnen laten horen. Minder ‘historische correct’ ging het er gisteren aan toe. Net als tijdens het openingsconcert in januari, toen het Orgelpark een ondubbelzinnig vernieuwingsgezind signaal afgaf, klonken nu uitsluitend wereldpremières. De drie jonge componisten die werk aanleverden, kozen er allen voor om de orgelklank aan te vullen met ‘extern’ geluid. Een simpele triangel telt in Matijs de Roo’s Canto fermo in canto Bachgetallen uit. Jeroen Roffel gebruikt in Symphonie Cristal een quadrofonisch geluidsspoor, en Frans Blanker – afkomstig uit de jazz – voegt in het clichématige Silent Traveller in Liquid Space een pianist en een zangeres toe.

Roffel bleek een elektronicus die zó verliefd kan worden op (toegegeven, vaak bijzonder aansprekende) klanken, dat hij ze zonder al te veel muzikale doorontwikkeling vrijlaat. Sterk waren de momenten waarop orgel en elektronisch klankspoor (geheel gebaseerd op kristalklanken) elkaar leken te imiteren. De Roo recyclede de laatste maten van het allerlaatste orgelwerk van Messiaen, dit keer met een grillig spel van rollende toonladders, als de waarneembare rimpelingen van een veel omvattender proces.