Polderen in Parijs

Pieter van den Blink: 121 rue de Lille. Nederland aan de Seine. Balans, 256 blz. €17,50

Het Institut Néerlandais, de verbindingsplaats tussen de Nederlandse en Franse cultuur in Parijs, is een begrip in Nederlandse culturele kringen en niet onbekend bij Parijse liefhebbers. Dat is een gunstig uitgangspunt voor 121 rue de Lille, een boek dat het instituut liet maken ter gelegenheid van zijn 50-jarig bestaan.

Auteur Pieter van den Blink, oud-correspondent in Parijs van onder meer Trouw en nu redacteur bij Vrij Nederland, heeft de geschiedenis van het pand op nummer 121 tot in alle hoeken en gaten doorzocht. Het resultaat is, zo meldt de ondertitel, een kroniek van ‘Nederland aan de Seine.’

Het Institut Néerlandais (IN) was er niet geweest zonder kunstverzamelaar en Rembrandtkenner Frits Lugt (1884-1970). Hij wist in de jaren vijftig steun te verwerven van de Franse en Nederlandse staat. Dat hijzelf ook bijdroeg aan het project, hielp daarbij. Lugt liet het Institut Néerlandais in de rue de Lille samenwonen met de stichting Custodia, waarin hij sinds 1946 zijn kunstverzameling had ondergebracht. Het IN heeft een directeur, die – vaak – ook als culturele raad van de Nederlandse ambassade in Parijs optreedt, zoals Sadi de Gorter dat als eerste deed.

Die dubbelfunctie is nog steeds van kracht. Van den Blink beschrijft uitgebreid de spanningen in dat huwelijk met de ambassade – die talrijker waren dan met voordeurdeler Custodia. Nu eens was er een ambassadeur die het IN niet zag als culturele vrijplaats, maar als verlengstuk van het diplomatenwerk. En dan weer kwam het IN buitenspel te staan in het Haagse cultuurbeleid. In 1989 werd zelfs besloten tot opheffing, maar zo ver kwam het niet, onder meer omdat cultuurkringen gemobiliseerd werden.

Cruciaal voor het IN was de afgelopen vijftig jaar steeds de directeur, aldus Van den Blink. Die moest namelijk het evenwicht zoeken tussen een aantrekkelijk aanbod van activiteiten en diplomatiek-bestuurlijke ruggesteun. Sinds 1998 is in zijn ogen de ‘glorietijd’ van het IN aangebroken. Eerst onder directeur Henk Pröpper en sinds 2002 onder diens opvolger Rudi Wester is afgerekend met de bedaagde reputatie. Fransen weten het IN nu te vinden voor tentoonstellingen van zowel Rembrandt als van een eigentijdse kunstenares als Desiree Dolron, én voor Frans-Nederlandse debatten.

Om die reden had 121 rue de Lille wat meer mogen gaan over de Nederlandse cultuur en de dwarsverbanden met die van Frankrijk. Van den Blink koos voor een verzameling portretten van meer of minder kleurrijke bestuurders en medewerkers, voor vele anekdotes, en voor minder kunst en cultuur. Er komen dus weinig Fransen aan het woord. En zo blijft ‘Nederland aan de Seine’ een geschiedenis ‘onder ons’ – gezellig, en met begrip voor elkaars goede bedoelingen.