Onterecht afgehamerd

Een Kamerlid het woord ontnemen om politiek inhoudelijke redenen, zoals Kamervoorzitter Verbeet gisteren deed, is zeer ongebruikelijk in de Nederlandse verhoudingen. Een tekstuele wijziging eisen in een motie van dat Kamerlid is ongehoord.

In een debat over de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap wilde Kamerlid Fritsma (PVV) per motie toetreding tot het kabinet van het Kamerlid Albayrak (PvdA) en de Amsterdamse wethouder Aboutaleb (PvdA) blokkeren, omdat zij behalve de Nederlandse nationaliteit respectievelijk ook de Marokkaanse en de Turkse nationaliteit bezitten. Het past geheel in de lijn van de partij van Wilders om burgers louter om het feit dat zij een tweede nationaliteit bezitten verdacht te maken. Gezien de onhaalbaarheid van de motie, die bij voorbaat vaststond, was politieke provocatie het voornaamste doel van Fritsma. Uit dat oogpunt gezien, boekte dit Kamerlid dan ook een groot succes, want de ophef was maximaal. Hij werd afgehamerd, de vergadering werd geschorst, zijn tekst aangepast.

Al eerder liepen de emoties in de Tweede Kamer hoog op over de gisteren gestrande wetswijziging van demissionair minister Verdonk (Integratie, VVD), die onder meer tot doel had meervoudige nationaliteit te beperken. De verontwaardiging over de al dan niet expliciete en algemene verdachtmaking van burgers die over een meervoudige nationaliteit beschikken, valt goed te begrijpen, al was het maar omdat ook een aantal leden van de Kamer twee paspoorten hebben. Met hun eed of gelofte hebben deze leden echter net als de overige Kamerleden trouw gezworen aan het Nederlandse Staatshoofd en aan de Grondwet.

Hoewel het zaaien van twijfel hierover op zichzelf kan worden afgekeurd, is het parlement wel bij uitstek de plaats waar dit toch vrijelijk moet kunnen gebeuren. Daarom was de verontwaardiging van partijleider Wilders over het ingrijpen van Kamervoorzitter Verbeet tijdens het optreden van ‘zijn woordvoerder’ óók begrijpelijk.

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal heeft onder meer tot taak de debatten tussen de leden onderling en tussen de Kamerleden en bewindspersonen ordelijk te laten verlopen. Als Kamerleden te lang van stof zijn of in herhaling vervallen, kan de voorzitter hen tot spoed manen of, eventueel, het woord ontnemen. De voorzitter kan een Kamerlid ook afhameren als de taal die hij of zij bezigt grof of onbetamelijk is. Met het aanduiden van zogeheten onparlementair taalgebruik betreedt de voorzitter al wel een moralistische schemerzone.

Ingrijpen om politieke redenen, zoals Verbeet deed, druist echter wezenlijk in tegen de functie die de Kamervoorzitter in het Nederlandse staatsbestel heeft. Die is bij uitstek: te streven naar neutraliteit. Verbeet rekent het ten onrechte tot haar taak sommige Kamerleden in bescherming te nemen tegen in haar ogen buitensporige aanvallen van andere Kamerleden. Van de politici in het parlement mag echter worden verwacht dat zij dat zelf wel kunnen. Met haar optreden bereikte Verbeet bovendien het omgekeerde wat zij beoogde: een motie die hoogstwaarschijnlijk onopgemerkt zou zijn gebleven, kreeg nationale aandacht.